Bible Explorer

Ontdekken › Onderwerpen › Rouwgebruiken

Dagelijks leven

Rouwgebruiken in de Bijbel

Gedeelten van De Heilige Schrift 1917 (55), regel voor regel, uit Nave’s Topical Bible.

  • Bij slecht nieuws de klederen scheurenGen 37:29, Gen 37:34, Gen 44:13, 2 Sam 1:11, 2 Sam 13:31, Job 1:20, 2 Kon 2:12
    De verzen
    Gen 37:29Als nu Ruben tot den kuil wederkeerde, ziet, zo was Jozef niet in den kuil; toen scheurde hij zijn klederen.
    Gen 37:34Toen scheurde Jakob zijn klederen, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen.
    Gen 44:13Toen scheurden zij hun klederen; en ieder man laadde zijn ezel op, en zij keerden weder naar de stad.
    2 Sam 1:11Toen vatte David zijn klederen en scheurde ze; desgelijks ook al de mannen, die met hem waren.
    2 Sam 13:31Toen stond de koning op, en scheurde zijn klederen, en leide zich neder ter aarde; desgelijks stonden al zijn knechten met gescheurde klederen.
    Job 1:20Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder;
    2 Kon 2:12En Elisa zag het, en hij riep: Mijn vader, mijn vader, wagen Israels en zijn ruiteren! En hij zag hem niet meer; en hij vatte zijn klederen en scheurde ze in twee stukken.
  • Een zak om de lendenenGen 37:34, 1 Kon 21:27, Est 4:1
    De verzen
    Gen 37:34Toen scheurde Jakob zijn klederen, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen.
    1 Kon 21:27Het geschiedde nu, als Achab deze woorden hoorde, dat hij zijn klederen scheurde, en een zak om zijn vlees leide, en vastte; hij lag ook neder in den zak, en ging langzaam.
    Est 4:1Als Mordechai wist al wat er geschied was, zo verscheurde Mordechai zijn klederen, en hij trok een zak aan met as; en hij ging uit door het midden der stad, en hij riep met een groot en bitter geroep.
  • Stof of as op het hoofdJoz 7:6, 2 Sam 13:19, 2 Sam 15:32, Job 2:12
    De verzen
    Joz 7:6Toen verscheurde Jozua zijn klederen, en viel op zijn aangezicht ter aarde, voor de ark des HEEREN, tot den avond toe, hij en de oudsten van Israel; en zij wierpen stof op hun hoofd.
    2 Sam 13:19Toen nam Thamar as op haar hoofd, en scheurde den veelvervigen rok, dien zij aanhad; en zij leide haar hand op haar hoofd, en ging vast henen en kreet.
    2 Sam 15:32En het geschiedde, als David tot op de hoogte kwam, dat hij aldaar God aanbad; ziet, toen ontmoette hem Husai, de Archiet, hebbende zijn rok gescheurd, en aarde op zijn hoofd.
    Job 2:12En toen zij hun ogen van verre ophieven, kenden zij hem niet, en hieven hun stem op, en weenden; daartoe scheurden zij een ieder zijn mantel, en strooiden stof op hun hoofden naar den hemel.
  • In zak en as liggenEst 4:3, Jona 3:6
    De verzen
    Est 4:3En in alle en een ieder landschap en plaats, waar het woord des konings en zijn wet aankwam, was een grote rouw onder de Joden, met vasten, en geween, en misbaar; vele lagen in zakken en as.
    Jona 3:6Want dit woord geraakte tot den koning van Nineve, en hij stond op van zijn troon, en deed zijn heerlijk overkleed van zich; en hij bedekte zich met een zak, en zat neder in de as.
  • Op de aarde liggen2 Sam 12:16, 2 Sam 13:31
    De verzen
    2 Sam 12:16En David zocht God voor dat jongsken; en David vastte een vasten, en ging in, en lag den nacht over op de aarde.
    2 Sam 13:31Toen stond de koning op, en scheurde zijn klederen, en leide zich neder ter aarde; desgelijks stonden al zijn knechten met gescheurde klederen.
  • Het hoofd bedekt en blootsvoets2 Sam 15:30
    De verzen
    2 Sam 15:30En David ging op door den opgang der olijven, opgaande en wenende, en het hoofd was hem bewonden; en hij zelf ging barrevoets; ook had al het volk, dat met hem was, een iegelijk zijn hoofd bedekt, en zij gingen op, opgaande en wenende.
  • Het gezicht bedekken2 Sam 19:4, Est 6:12
    De verzen
    2 Sam 19:4De koning nu had zijn aangezicht toegewonden, en de koning riep met luider stem: Mijn zoon Absalom, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!
    Est 6:12Daarna keerde Mordechai wederom tot de poort des konings; maar Haman werd voortgedreven naar zijn huis, treurig en met bedekten hoofde.
  • Haar uit hoofd en baard plukkenEzra 9:3
    De verzen
    Ezra 9:3Als ik nu deze zaak hoorde, scheurde ik mijn kleed en mijn mantel; en ik trok van het haar mijns hoofds en mijns baards uit, en zat verbaasd neder.
  • Het hoofd kaal scherenJob 1:20, Ezech 27:31
    De verzen
    Job 1:20Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder;
    Ezech 27:31En zij zullen zich over u gans kaal maken, en zakken aangorden; en zullen over u wenen met bitterheid der ziel, en bittere rouwklage.
  • De sieraden afleggenEx 33:4–6
    De verzen
    Ex 33:4–6Toen het volk dit kwade woord hoorde, zo droegen zij leed; en niemand van hen deed zijn versiersel aan zich. En de HEERE had tot Mozes gezegd: Zeg tot de kinderen Israels: Gij zijt een hardnekkig volk; in een ogenblik zou Ik in het midden van ulieden optrekken, en zou u vernielen; doch nu, legt uw sieraad van u af, en Ik zal weten, wat Ik u doen zal. De kinderen Israels dan beroofden zichzelven van hun versierselen, verre van den berg Horeb.
  • Geen zalving met olie, en rouwklederen2 Sam 14:2, Dan 10:3
    De verzen
    2 Sam 14:2Zo zond Joab heen naar Thekoa, en nam van daar een wijze vrouw; en hij zeide tot haar: Stel u toch, alsof gij rouw droegt, en trek nu rouwklederen aan, en zalf u niet met olie, en wees als een vrouw, die nu vele dagen rouw gedragen heeft over een dode;
    Dan 10:3Begeerlijke spijze at ik niet, en vlees of wijn kwam in mijn mond niet; ook zalfde ik mij gans niet, totdat die drie weken der dagen vervuld waren.
  • Rouwklagers gaan rond op de straatPred 12:5
    De verzen
    Pred 12:5Ook wanneer zij voor de hoogte zullen vrezen, en dat er verschrikkingen zullen zijn op den weg, en de amandelboom zal bloeien, en dat de sprinkhaan zichzelven een last zal wezen, en dat de lust zal vergaan; want de mens gaat naar zijn eeuwig huis, en de rouwklagers zullen in de straat omgaan.
  • Kundige klaagvrouwen werden geroepen om te weeklagenJer 9:17–18
    De verzen
    Jer 9:17–18Zo zegt de HEERE der heirscharen: Merkt daarop, en roept klaagvrouwen, dat zij komen; en zendt henen naar de wijze vrouwen, dat zij komen. En haasten, en een weeklage over ons opheffen, dat onze ogen van tranen nederdalen, en onze oogleden van water vlieten.
  • Fluitspelers en een woelige schare in het huis van een gestorven meisjeMatt 9:23
    De verzen
    Matt 9:23En als Jezus in het huis des oversten kwam, en zag de pijpers en de woelende schare,
  • Vrienden komen om de familie te troostenJoh 11:19, Joh 11:31
    De verzen
    Joh 11:19En velen uit de Joden waren gekomen tot Martha en Maria, opdat zij haar vertroosten zouden over haar broeder.
    Joh 11:31De Joden dan, die met haar in het huis waren, en haar vertroostten, ziende Maria, dat zij haastelijk opstond en uitging, volgden haar, zeggende: Zij gaat naar het graf, opdat zij aldaar wene.

In de Wet

  • Voor de doden geen insnijdingen in het lichaam en geen kaalheid tussen de ogenLev 19:28, Deut 14:1
    De verzen
    Lev 19:28Gij zult om een dood lichaam geen snijding in uw vlees maken, noch schrift van een ingedrukt teken in u maken; Ik ben de HEERE!
    Deut 14:1Gijlieden zijt kinderen des HEEREN, uws Gods; gij zult uzelven niet snijden, noch kaalheid maken tussen uw ogen, over een dode.
  • Wie een dode aanraakte, was zeven dagen onreinNum 19:11, Num 19:16
    De verzen
    Num 19:11Wie een dode, enig dood lichaam van een mens, aanroert, die zal zeven dagen onrein zijn.
    Num 19:16En al wie in het open veld een, die met het zwaard verslagen is, of een dode, of het gebeente eens mensen, of een graf zal aangeroerd hebben, zal zeven dagen onrein zijn.
  • Priesters mogen zich alleen verontreinigen voor naaste familieLev 21:1–3
    De verzen
    Lev 21:1–3Daarna zeide de HEERE tot Mozes: Spreek tot de priesters, de zonen van Aaron, en zeg tot hen: Over een dode zal een priester zich niet verontreinigen onder zijn volken. Behalve over zijn bloedvriend, die hem ten naaste bestaat, over zijn moeder en over zijn vader, en over zijn zoon, en over zijn dochter, en over zijn broeder. En over zijn zuster, die maagd is, hem nabestaande, die nog geen man toebehoord heeft; over die zal hij zich verontreinigen.
  • De hogepriester mag zijn klederen niet scheuren en bij geen dode komenLev 21:10–11
    De verzen
    Lev 21:10–11En hij, die de hogepriester onder zijn broederen is, op wiens hoofd de zalfolie gegoten is, en wiens hand men gevuld heeft, om die klederen aan te trekken, zal zijn hoofd niet ontbloten, noch zijn klederen scheuren. Hij zal ook bij geen dode lichamen komen; zelfs over zijn vader en over zijn moeder zal hij zich niet verontreinigen.
  • Aäron en zijn zonen mogen niet rouwen om Nadab en AbihuLev 10:6
    De verzen
    Lev 10:6En Mozes zeide tot Aaron, en tot Eleazar, en tot Ithamar, zijn zonen: Gij zult uw hoofden niet ontbloten, noch uw klederen verscheuren, opdat gij niet sterft, en grote toorn over de ganse vergadering kome; maar uw broederen, het ganse huis van Israel, zullen dezen brand, dien de HEERE aan gestoken heeft, bewenen.
  • Van de tienden mocht in de rouw niets gegeten wordenDeut 26:14
    De verzen
    Deut 26:14Ik heb daarvan niets gegeten in mijn leed, en heb daarvan niets weggenomen tot iets onreins, noch daarvan gegeven tot een dode; ik ben der stem des HEEREN, mijns Gods, gehoorzaam geweest, ik heb gedaan naar alles, wat Gij mij geboden hebt.

Voorbeelden

  • Abraham rouwt en weent om SaraGen 23:2
    De verzen
    Gen 23:2En Sara stierf te Kiriath-Arba, dat is Hebron, in het land Kanaan; en Abraham kwam om Sara te beklagen, en haar te bewenen.
  • Jakob weigert zich over Jozef te laten troostenGen 37:34–35
    De verzen
    Gen 37:34–35Toen scheurde Jakob zijn klederen, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen. En al zijn zonen, en al zijn dochteren maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zeide: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Alzo beweende hem zijn vader.
  • Egypte beweent Jakob zeventig dagen; Jozef rouwt zeven dagen op het plein van het doornbosGen 50:3, Gen 50:10–11
    De verzen
    Gen 50:3En veertig dagen werden aan hem vervuld; want alzo werden vervuld de dagen dergenen, die gebalsemd werden; en de Egyptenaars beweenden hem zeventig dagen.
    Gen 50:10–11Toen zij nu aan het plein van het doornbos kwamen, dat aan gene zijde van de Jordaan is, hielden zij daar een grote en zeer zware rouwklage; en hij maakte zijn vader een rouw van zeven dagen. Als de inwoners des lands, de Kanaanieten, dien rouw zagen op het plein van het doornbos, zo zeiden zij: Dit is een zware rouw der Egyptenaren; daarom noemde men haar naam Abel-Mizraim, die aan het veer van de Jordaan is.
  • Israël beweent Aäron dertig dagen, en dertig dagen MozesNum 20:28–29, Deut 34:8
    De verzen
    Num 20:28–29En Mozes trok Aaron zijn klederen uit, en hij trok ze zijn zoon Eleazar aan; en Aaron stierf aldaar, op de hoogte diens bergs. Toen kwam Mozes en Eleazar van dien berg af. Toen de ganse vergadering zag, dat Aaron overleden was, zo beweenden zij Aaron dertig dagen, het ganse huis van Israel.
    Deut 34:8En de kinderen Israels beweenden Mozes, in de vlakke velden van Moab, dertig dagen; en de dagen des wenens, van den rouw over Mozes, werden voleindigd.
  • Groot geschrei in Egypte: geen huis zonder een dodeEx 12:30
    De verzen
    Ex 12:30En Farao stond op bij nacht, hij en al zijn knechten, en al de Egyptenaars; en er was een groot geschrei in Egypte; want er was geen huis, waarin niet een dode was.
  • David en zijn mannen wenen tot er geen kracht meer in hen is1 Sam 30:4
    De verzen
    1 Sam 30:4Toen hief David en het volk, dat bij hem was, hun stem op, en weenden, tot dat er geen kracht meer in hen was om te wenen.
  • Davids klaagzang over Saul en Jonathan: “Hoe zijn de helden gevallen!”2 Sam 1:17–19
    De verzen
    2 Sam 1:17–19David nu klaagde deze klage over Saul en over Jonathan, zijn zoon; Als hij gezegd had, dat men den kinderen van Juda den boog zou leren; ziet, het is geschreven in het boek des Oprechten. O Sieraad van Israel, op uw hoogten is hij verslagen; hoe zijn de helden gevallen!
  • Davids klaagzang over Abner2 Sam 3:33–34
    De verzen
    2 Sam 3:33–34En de koning maakte een klage over Abner, en zeide: Is dan Abner gestorven, als een dwaas sterft? Uw handen waren niet gebonden, noch uw voeten in koperen boeien gedaan, maar gij zijt gevallen, gelijk men valt voor het aangezicht van kinderen der verkeerdheid. Toen weende het ganse volk nog meer over hem.
  • “Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon!”2 Sam 18:33, 2 Sam 19:4
    De verzen
    2 Sam 18:33Toen werd de koning zeer beroerd, en ging op naar de opperzaal der poort, en weende; en in zijn gaan zeide hij alzo: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, dat ik, ik voor u gestorven ware, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!
    2 Sam 19:4De koning nu had zijn aangezicht toegewonden, en de koning riep met luider stem: Mijn zoon Absalom, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!
  • Bathseba rouwt om Uria2 Sam 11:26–27
    De verzen
    2 Sam 11:26–27Als nu de huisvrouw van Uria hoorde, dat haar man Uria dood was, zo droeg zij leed over haar heer. En als de rouw was overgegaan, zond David heen, en nam haar in zijn huis; en zij werd hem ter vrouwe, en baarde hem een zoon. Doch deze zaak, die David gedaan had, was kwaad in de ogen des HEEREN.
  • Zangers en zangeressen zingen klaagliederen over Josia2 Kron 35:24–25
    De verzen
    2 Kron 35:24–25En zijn knechten namen hem weg van den wagen, en voerden hem op den tweeden wagen, dien hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven zijner vaderen; en gans Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia. En Jeremia maakte een klaaglied over Josia; desgelijks alle zangers en zangeressen spraken in hun klaagliederen van Josia, tot op dezen dag; want zij gaven ze tot een inzetting in Israel; en ziet, zij zijn geschreven in de klaagliederen.
  • Mordechai schreeuwt in een zak; met een zak mocht niemand in de poort des koningsEst 4:1–2
    De verzen
    Est 4:1–2Als Mordechai wist al wat er geschied was, zo verscheurde Mordechai zijn klederen, en hij trok een zak aan met as; en hij ging uit door het midden der stad, en hij riep met een groot en bitter geroep. En hij kwam tot voor de poort des konings; want niemand mocht in des konings poort inkomen, bekleed met een zak.

Bronnen

Naar Nave’s Topical Bible (Orville J. Nave, 1896; publiek domein): onderwerpen gekozen, regels ingekort en in hedendaagse taal gezet, zonder uitleg; elk vers gecontroleerd.

De Heilige Schrift 1917 · Publiek domein