Bible Explorer

Ontdekken › Onderwerpen › Landbouw

Dagelijks leven

Landbouw in de Bijbel

Gedeelten van De Heilige Schrift 1917 (37), regel voor regel, uit Nave’s Topical Bible.

  • De mens wordt in Eden gezet om hem te bouwen en te bewarenGen 2:15
    De verzen
    Gen 2:15Zo nam de HEERE God den mens, en zette hem in den hof van Eden, om dien te bouwen, en dien te bewaren.
  • Kaïn is een landman; Habel hoedt de schapenGen 4:2
    De verzen
    Gen 4:2En zij voer voort te baren zijn broeder Habel; en Habel werd een schaapherder, en Kain werd een landbouwer.
  • Noach, een akkerman, plant een wijngaardGen 9:20
    De verzen
    Gen 9:20En Noach begon een akkerman te zijn, en hij plantte een wijngaard.
  • Izak zaait en oogst dat jaar honderdvoudigGen 26:12
    De verzen
    Gen 26:12En Izak zaaide in datzelve land, en hij vond in datzelve jaar honderd maten; want de HEERE zegende hem.
  • Ruth leest aren achter de maaiers: ongeveer een efa gerstRuth 2:2–3, Ruth 2:17
    De verzen
    Ruth 2:2–3En Ruth, de Moabietische, zeide tot Naomi: Laat mij toch in het veld gaan, en van de aren oplezen, achter dien, in wiens ogen ik genade zal vinden. En zij zeide tot haar: Ga heen, mijn dochter! Zo ging zij heen, en kwam en las op in het veld, achter de maaiers; en haar viel bij geval voor, een deel van het veld van Boaz, die van het geslacht van Elimelech was.
    Ruth 2:17Alzo las zij op in dat veld, tot aan den avond; en zij sloeg uit, wat zij opgelezen had, en het was omtrent een efa gerst.
  • Boaz want ’s nachts gerst op de dorsvloerRuth 3:2
    De verzen
    Ruth 3:2Nu dan, is niet Boaz, met wiens maagden gij geweest zijt, van onze bloedvriendschap? Zie, hij zal dezen nacht gerst op den dorsvloer wannen.
  • Gideon dorst tarwe in de wijnpers om die voor Midian te verbergenRecht 6:11
    De verzen
    Recht 6:11Toen kwam een Engel des HEEREN, en zette Zich onder den eik, die te Ofra is, welke aan Joas, den Abi-ezriet, toekwam; en zijn zoon Gideon dorste tarwe bij de pers, om die te vluchten voor het aangezicht der Midianieten.
  • Beth-Semes maait de tarwe in het dal1 Sam 6:13
    De verzen
    1 Sam 6:13En die van Beth-Semes maaiden den tarweoogst in het dal, en als zij hun ogen ophieven, zagen zij de ark en verblijdden zich, als zij die zagen.
  • Israëlieten gaan naar de Filistijnen om ploegijzers en sikkels te slijpen1 Sam 13:19–21
    De verzen
    1 Sam 13:19–21En er werd geen smid gevonden in het ganse land van Israel; want de Filistijnen hadden gezegd: Opdat de Hebreen geen zwaard noch spies maken. Daarom moest gans Israel tot de Filistijnen aftrekken, opdat een iegelijk zijn ploegijzer, of zijn spade, of zijn bijl, of zijn houweel scherpen liet. Maar zij hadden tandige vijlen tot hun houwelen, en tot hun spaden, en tot de drietandige vorken, en tot de bijlen, en tot het stellen der prikkelen.
  • Elisa ploegt met twaalf juk runderen1 Kon 19:19
    De verzen
    1 Kon 19:19Zo ging hij van daar, en vond Elisa, den zoon van Safat; dezelve ploegde met twaalf juk runderen voor zich henen, en hij was bij het twaalfde; en Elia ging over tot hem, en wierp zijn mantel op hem.
  • Davids beambten over akkers, wijngaarden, olijfbomen en kudden1 Kron 27:26–31
    De verzen
    1 Kron 27:26–31En over die, die het akkerwerk deden, in de landbouwing, was Ezri, de zoon van Chelub. En over de wijngaarden was Simei, de Ramathiet; maar over hetgeen dat van de wijnstokken kwam tot de schatten des wijns, was Zabdi, de Sifmiet. En over de olijfgaarden en de wilde vijgebomen, die in de laagte waren, was Baal-Hanan, de Gederiet; maar Joas was over de schatten der olie. En over de runderen, die in Saron weidden, was Sitrai, de Saroniet; maar over de runderen in de laagten, was Safat, de zoon van Adlai. En over de kemelen was Obil, de Ismaeliet; en over de ezelinnen was Jechdeja, de Meronothiet. En over het kleine vee was Jaziz, de Hageriet. Alle dezen waren oversten over de have, die de koning David had.
  • Uzzia, die de akkerbouw liefhad, heeft akkerlieden en wijngaardeniers2 Kron 26:10
    De verzen
    2 Kron 26:10Hij bouwde ook torens in de woestijn, en hieuw vele putten uit, overmits hij veel vee had, beide in de laagten en in de effene velden; akkerlieden en wijngaardeniers op de bergen en op de vruchtbare velden; want hij was een liefhebber van den land bouw.
  • Salomo plant wijngaarden en boomgaarden en legt vijvers aanPred 2:4–6
    De verzen
    Pred 2:4–6Ik maakte mij grote werken, ik bouwde mij huizen, ik plantte mij wijngaarden. Ik maakte mij hoven en lusthoven, en ik plantte bomen in dezelve, van allerlei vrucht. Ik maakte mij vijvers van wateren, om daarmede te bewateren het woud, dat met bomen groende.
  • Ploegen, in rijen zaaien en elk gewas op zijn eigen wijze dorsenJes 28:24–28
    De verzen
    Jes 28:24–28Ploegt de ploeger den gehelen dag om te zaaien? Opent en egt hij zijn land den gehelen dag? Is het niet alzo? Wanneer hij het bovenste van hetzelve effen gemaakt heeft, dan strooit hij wikken, en spreidt komijn, of hij werpt er van de beste tarwe in, of uitgelezen gerst, of spelt, elk aan zijn plaats. En zijn God onderricht hem van de wijze, Hij leert hem. Want men dorst de wikken niet met den dorswagen, en men laat het wagenrad niet rondom over het komijn gaan; maar de wikken slaat men uit met een staf, en het komijn met een stok; Het brood koren moet verbrijzeld worden, maar hij dorst het niet geduriglijk dorsende; noch hij breekt het met het wiel zijn wagens, noch hij verbrijzelt het met zijn paarden.
  • Een landman wacht op de vroege en de spade regenJak 5:7
    De verzen
    Jak 5:7Zo zijt dan lankmoedig, broeders, tot de toekomst des Heeren. Ziet, de landman verwacht de kostelijke vrucht des lands, lankmoedig zijnde over dezelve, totdat het den vroegen en spaden regen zal hebben ontvangen.
  • De discipelen plukken aren als zij door de korenvelden gaanMatt 12:1
    De verzen
    Matt 12:1In dien tijd ging Jezus, op een sabbatdag, door het gezaaide, en Zijn discipelen hadden honger, en begonnen aren te plukken, en te eten.
  • Zaad op de weg, op steenachtige plaatsen, onder de doornen, in de goede aarde (een gelijkenis)Matt 13:3–8
    De verzen
    Matt 13:3–8En Hij sprak tot hen vele dingen door gelijkenissen, zeggende: Ziet, een zaaier ging uit om te zaaien. En als hij zaaide, viel een deel van het zaad bij den weg; en de vogelen kwamen en aten datzelve op. En een ander deel viel op steenachtige plaatsen, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had. Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden; en omdat het geen wortel had, is het verdord. En een ander deel viel in de doornen; en de doornen wiesen op, en verstikten hetzelve. En een ander deel viel in de goede aarde, en gaf vrucht, het een honderd-, het ander zestig-, en het ander dertig voud.
  • Arbeiders gehuurd voor een wijngaard voor een penning per dag (een gelijkenis)Matt 20:1–2
    De verzen
    Matt 20:1–2Want het Koninkrijk der hemelen is gelijk een heer des huizes, die met den morgenstond uitging, om arbeiders te huren in zijn wijngaard. En als hij met de arbeiders eens geworden was, voor een penning des daags, zond hij hen heen in zijn wijngaard.

In de Wet

  • Zes jaar zaaien; in het zevende rust het landEx 23:10–11, Lev 25:3–5
    De verzen
    Ex 23:10–11Gij zult ook zes jaar uw land bezaaien, en deszelfs inkomst verzamelen; Maar in het zevende zult gij het rusten en stil liggen laten, dat de armen uws volks mogen eten, en het overige daarvan de beesten des velds eten mogen; alzo zult gij ook doen met uw wijngaard, en met uw olijfbomen.
    Lev 25:3–5Zes jaren zult gij uw akker bezaaien, en zes jaren uw wijngaard besnijden, en de inkomst daarvan inzamelen. Doch in het zevende jaar zal voor het land een sabbat der rust zijn, een sabbat den HEERE; uw akker zult gij niet bezaaien en uw wijngaard niet besnijden. Wat van zelf van uw oogst zal gewassen zijn, zult gij niet inoogsten, en de druiven uwer afzondering zult gij niet afsnijden; het zal een jaar der ruste voor het land zijn.
  • Rusten op de zevende dag, ook in de ploegtijd en de oogstEx 34:21
    De verzen
    Ex 34:21Zes dagen zult gij arbeiden, maar op den zevenden dag zult gij rusten; in den ploegtijd en in den oogst zult gij rusten.
  • De hoeken van de akker en de afgevallen druiven voor de armen latenLev 19:9–10
    De verzen
    Lev 19:9–10Als gij ook den oogst uws lands inoogsten zult, gij zult den hoek uws velds niet ganselijk afoogsten, en dat van uw oogst op te zamelen is, niet opzamelen. Insgelijks zult gij uw wijngaard niet nalezen, en de afgevallen bezien van uw wijngaard niet opzamelen; den arme en den vreemdeling zult gij die overlaten; Ik ben de HEERE, uw God!
  • Een vergeten schoof blijft voor de vreemdeling, de wees en de weduweDeut 24:19–21
    De verzen
    Deut 24:19–21Wanneer gij uw oogst op uw akker afgeoogst, en een garf op den akker vergeten zult hebben, zo zult gij niet wederkeren, om die op te nemen; voor den vreemdeling, voor den wees en voor de weduwe zal zij zijn; opdat u de HEERE, uw God, zegene, in al het werk uwer handen. Wanneer gij uw olijfboom zult geschud hebben, zo zult gij de takken achter u niet nauw doorzoeken; voor den vreemdeling, voor den wees en voor de weduwe zal het zijn. Wanneer gij uw wijngaard zult afgelezen hebben, zo zult gij de druiven achter u niet nalezen; voor den vreemdeling, voor den wees en voor de weduwe zal het zijn.
  • Geen tweeërlei zaad; geen os en ezel samen ploegenLev 19:19, Deut 22:9–10
    De verzen
    Lev 19:19Gij zult Mijn inzettingen houden; gij zult geen tweeerlei aard uwer beesten laten samen te doen hebben; uwen akker zult gij niet met tweeerlei zaad bezaaien, en een kleed van tweeerlei stof, dooreen vermengd, zal aan u niet komen.
    Deut 22:9–10Gij zult uw wijngaard niet met tweeerlei bezaaien; opdat de volheid des zaads, dat gij zult gezaaid hebben, en de inkomst des wijngaards niet ontheiligd worde. Gij zult niet ploegen met een os en met een ezel te gelijk.
  • De vrucht van een pas geplante boom wordt drie jaar niet gegetenLev 19:23–25
    De verzen
    Lev 19:23–25Als gij ook in dat land gekomen zult zijn, en alle geboomte ter spijze geplant zult hebben, zo zult gij de voorhuid daarvan, deszelfs vrucht, besnijden; drie jaren zal het u onbesneden zijn, daarvan zal niet gegeten worden. Maar in het vierde jaar zal al zijn vrucht een heilig ding zijn, ter lofzegging voor den HEERE. En in het vijfde jaar zult gij deszelfs vrucht eten, om het inkomen daarvan voor u te vermeerderen; Ik ben de HEERE, uw God!
  • Vergoeding voor loslopend vee of een akkerbrandEx 22:5–6
    De verzen
    Ex 22:5–6Wanneer iemand een veld, of een wijngaard laat afweiden, en hij zijn beest daarin drijft, dat het in eens anders veld weidt, die zal het van het beste zijns velds en van het beste zijns wijngaards wedergeven. Wanneer een vuur uitgaat, en vat de doornen, zodat de koornhoop verteerd wordt, of het staande koorn, of het veld; hij, die den brand heeft aangestoken, zal het volkomen wedergeven.
  • In de wijngaard van de naaste eten naar believen, maar niets in een vat doenDeut 23:24–25
    De verzen
    Deut 23:24–25Wanneer gij gaan zult in uws naasten wijngaard, zo zult gij druiven eten naar uw lust, tot uw verzadiging; maar in uw vat zult gij niets doen. Wanneer gij zult gaan in uws naasten staande koren, zo zult gij de aren met uw hand afplukken; maar de sikkel zult gij aan uws naasten staande koren niet bewegen.
  • Een os niet muilbanden als hij dorstDeut 25:4
    De verzen
    Deut 25:4Een os zult gij niet muilbanden, als hij dorst.
  • Wie zijn nieuwe wijngaard nog niet genoten heeft, gaat uit de oorlog naar huisDeut 20:6
    De verzen
    Deut 20:6En wie is de man, die een wijngaard geplant heeft, en deszelfs vrucht niet heeft genoten? Die ga henen en kere weder naar zijn huis, opdat hij niet misschien in den strijd sterve en iemand anders die geniete.

Uitspraken

  • Wie zijn land bebouwt, zal met brood verzadigd wordenSpr 12:11
    De verzen
    Spr 12:11Die zijn land bouwt, zal van brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, is verstandeloos.
  • De akker van de luiaard vol doornen, zijn stenen muur afgebrokenSpr 24:30–31
    De verzen
    Spr 24:30–31Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en voorbij den wijngaard van een verstandeloos mens; En ziet, hij was gans opgeschoten van distelen; zijn gedaante was met netelen bedekt, en zijn stenen scheidsmuur was afgebroken.
  • Zaai ’s morgens uw zaad en laat ’s avonds uw hand niet rustenPred 11:6
    De verzen
    Pred 11:6Zaai uw zaad in den morgenstond, en trek uw hand des avonds niet af; want gij weet niet, wat recht wezen zal, of dit of dat, of dat die beide te zamen goed zijn zullen.
  • Ken de staat van uw schapen en kuddenSpr 27:23–27
    De verzen
    Spr 27:23–27Zijt naarstig, om het aangezicht uwer schapen te kennen; zet uw hart op de kudden. Want de schat is niet tot in eeuwigheid; of zal de kroon van geslacht tot geslacht zijn? Als het gras zich openbaart, en de grasscheuten gezien worden, laat de kruiden der bergen verzameld worden. De lammeren zullen zijn tot uw kleding, en de bokken de prijs des velds. Daartoe zult gij genoegzaamheid van geitenmelk hebben tot uw spijze, tot spijze van uw huis, en leeftocht uwer maagden.
  • Wie spaarzaam zaait, zal ook spaarzaam maaien2 Kor 9:6
    De verzen
    2 Kor 9:6En dit zeg ik: Die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien.
  • De landman die arbeidt, moet als eerste van de vruchten genieten2 Tim 2:6
    De verzen
    2 Tim 2:6De landman, als hij arbeidt, moet alzo eerst de vruchten genieten.

Bronnen

Naar Nave’s Topical Bible (Orville J. Nave, 1896; publiek domein): onderwerpen gekozen, regels ingekort en in hedendaagse taal gezet, zonder uitleg; elk vers gecontroleerd.

De Heilige Schrift 1917 · Publiek domein