Ontdekken › Onderwerpen › Toorn
Dagelijks leven
Toorn in de Bijbel
Gedeelten van De Heilige Schrift 1917 (41), regel voor regel, uit Nave’s Topical Bible.
Uitspraken
- Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; een krenkend woord doet toorn opkomenSpr 15:1
De verzen
Spr 15:1Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.
- Wie langzaam is tot toorn, is beter dan een heldSpr 16:32, Spr 14:29
- Een man zonder zelfbeheersing is als een stad met verbroken murenSpr 25:28
De verzen
Spr 25:28Een man, die zijn geest niet wederhouden kan, is een opengebrokene stad zonder muur.
- Een zot laat al zijn toorn uit; een wijze houdt hem inSpr 29:11
De verzen
Spr 29:11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
- Zoals het karnen van melk boter geeft, zo geeft het drukken van toorn twistSpr 30:33
De verzen
Spr 30:33Want de drukking der melk brengt boter voort, en de drukking van den neus brengt bloed voort, en de drukking des toorns brengt twist voort.
- Toorn rust in de boezem van de zottenPred 7:9
De verzen
Pred 7:9Zijt niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in den boezem der dwazen.
- Laat af van den toorn; hij leidt alleen tot kwaadPs 37:8
De verzen
Ps 37:8He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.
- Laat de zon niet ondergaan over uw toornEf 4:26
De verzen
Ef 4:26Wordt toornig, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uw toornigheid;
- Snel om te horen, traag om te spreken, traag tot toornJak 1:19–20
De verzen
Jak 1:19–20Zo dan, mijn geliefde broeders, een iegelijk mens zij ras om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn; Want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet.
Voorbeelden
- Kaïn wordt zeer toornig en doodt zijn broer AbelGen 4:5–8
De verzen
Gen 4:5–8Maar Kain en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kain zeer, en zijn aangezicht verviel. En de HEERE zeide tot Kain: Waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen? Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? en zo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur. Zijn begeerte is toch tot u, en gij zult over hem heersen. En Kain sprak met zijn broeder Habel; en het geschiedde, als zij in het veld waren, dat Kain tegen zijn broeder Habel opstond, en sloeg hem dood.
- Jakob tegen Rachel: “Ben ik dan in plaats van God?”Gen 30:2
De verzen
Gen 30:2Toen ontstak Jakobs toorn tegen Rachel, en hij zeide: Ben ik dan in plaats van God, Die de vrucht des buiks van u geweerd heeft?
- Jakob, ontstoken in toorn, roept Laban ter verantwoordingGen 31:36
De verzen
Gen 31:36Toen ontstak Jakob, en twistte met Laban; en Jakob antwoordde en zeide tot Laban: Wat is mijn overtreding, wat is mijn zonde, dat gij mij zo hittiglijk hebt nagejaagd?
- Jakob: Simeon en Levi “hebben in hun toorn de mannen doodgeslagen”Gen 49:5–7
De verzen
Gen 49:5–7Simeon en Levi zijn gebroeders! hun handelingen zijn werktuigen van geweld! Mijn ziel kome niet in hun verborgen raad; mijn eer worde niet verenigd met hun vergadering! want in hun toorn hebben zij de mannen doodgeslagen, en in hun moedwil hebben zij de ossen weggerukt. Vervloekt zij hun toorn, want hij is heftig; en hun verbolgenheid, want zij is hard! ik zal hen verdelen onder Jakob, en zal hen verstrooien onder Israel.
- Jozefs heer ontsteekt in toorn over het verhaal van zijn vrouwGen 39:19
De verzen
Gen 39:19En het geschiedde, als zijn heer de woorden zijner huisvrouw hoorde, die zij tot hem sprak, zeggende: Naar deze zelfde woorden heeft mij uw knecht gedaan, zo ontstak zijn toorn.
- Farao tegen Mozes: “Wacht u, dat gij niet meer mijn aangezicht ziet”Ex 10:28
De verzen
Ex 10:28Maar Farao zeide tot hem: Ga van mij! wacht u, dat gij niet meer mijn aangezicht ziet; want op welken dag gij mijn aangezicht zult zien, zult gij sterven!
- Mozes gaat in hevige toorn van Farao wegEx 11:8
De verzen
Ex 11:8Dan zullen al deze uw knechten tot mij afkomen, en zich voor mij neigen, zeggende: Trek uit, gij en al het volk, dat uw voetstappen volgt; en daarna zal ik uitgaan. En hij ging uit van Farao in hitte des toorns.
- Mozes verbrijzelt bij het zien van het kalf de tafelenEx 32:19
De verzen
Ex 32:19En het geschiedde, als hij aan het leger naderde, en het kalf, en de reien zag, dat de toorn van Mozes ontstak, en dat hij de tafelen uit zijn handen wierp, en dezelve beneden aan den berg verbrak.
- Mozes slaat tweemaal op de rotsNum 20:10–11
De verzen
Num 20:10–11En Mozes en Aaron vergaderden de gemeente voor de steenrots, en hij zeide tot hen: Hoort toch, gij wederspannigen, zullen wij water voor ulieden uit deze steenrots hervoorbrengen? Toen hief Mozes zijn hand op, en hij sloeg de steenrots tweemaal met zijn staf; en er kwam veel waters uit, zodat de vergadering dronk, en haar beesten.
- Bileam slaat zijn ezelin, en zij spreektNum 22:27–29
De verzen
Num 22:27–29Als de ezelin den Engel des HEEREN zag, zo leide zij zich neder onder Bileam; en de toorn van Bileam ontstak, en hij sloeg de ezelin met een stok. De HEERE nu opende den mond der ezelin, die tot Bileam zeide: Wat heb ik u gedaan, dat gij mij nu driemaal geslagen hebt? Toen zeide Bileam tot de ezelin: Omdat gij mij bespot hebt; och, of ik een zwaard in mijn hand had! want ik zoude u nu doden.
- Balak slaat in toorn over Bileam zijn handen ineenNum 24:10
De verzen
Num 24:10Toen ontstak de toorn van Balak tegen Bileam, en hij sloeg zijn handen samen; en Balak zeide tot Bileam: Ik heb u geroepen, om mijn vijanden te vloeken; maar zie, gij hebt hen nu driemaal gedurig gezegend!
- Gideon kalmeert de boze mannen van Efraïm met een zacht antwoordRecht 8:1–3
De verzen
Recht 8:1–3Toen zeiden de mannen van Efraim tot hem: Wat stuk is dit, dat gij ons gedaan hebt, dat gij ons niet riept, toen gij heentoogt om te strijden tegen de Midianieten? En zij twistten sterk met hem. Hij daarentegen zeide tot hen: Wat heb ik nu gedaan, gelijk gijlieden; zijn niet de nalezingen van Efraim beter dan de wijnoogst van Abi-ezer? God heeft de vorsten der Midianieten, Oreb en Zeeb, in uw hand gegeven; wat heb ik dan kunnen doen, gelijk gijlieden? Toen liet hun toorn van hem af, als hij dit woord sprak.
- Eliabs toorn ontsteekt tegen zijn jongere broer David1 Sam 17:28
De verzen
1 Sam 17:28Als Eliab, zijn grootste broeder, hem tot die mannen hoorde spreken, zo ontstak de toorn van Eliab tegen David, en hij zeide: Waarom zijt gij nu afgekomen, en onder wien hebt gij de weinige schapen in de woestijn gelaten? Ik ken uw vermetelheid, en de boosheid uws harten wel; want gij zijt afgekomen, opdat gij den strijd zaagt.
- Saul werpt een spies naar zijn zoon Jonathan1 Sam 20:30–34
De verzen
1 Sam 20:30–34Toen ontstak de toorn van Saul tegen Jonathan, en hij zeide tot hem: Gij, zoon der verkeerde in wederspannigheid, weet ik het niet, dat gij den zoon van Isai verkoren hebt tot uw schande, en tot schande van de naaktheid uwer moeder? Want al de dagen, die de zoon van Isai op den aardbodem leven zal, zo zult gij noch uw koninkrijk bevestigd worden; nu dan, schik heen, en haal hem tot mij, want hij is een kind des doods. Toen antwoordde Jonathan Saul, zijn vader, en zeide tot hem: Waarom zal hij gedood worden? Wat heeft hij gedaan? Toen schoot Saul de spies op hem, om hem te slaan. Alzo merkte Jonathan, dat dit ten volle bij zijn vader besloten was, David te doden. Daarom stond Jonathan van de tafel op in hittigheid des toorns; en hij at op den tweeden dag der nieuwe maan geen brood, want hij was bekommerd om David, omdat zijn vader hem gesmaad had.
- David ontsteekt in toorn over Nathans verhaal van de rijke man2 Sam 12:5
De verzen
2 Sam 12:5Toen ontstak Davids toorn zeer tegen dien man; en hij zeide tot Nathan: Zo waarachtig als de HEERE leeft, de man, die dat gedaan heeft, is een kind des doods!
- Achab, gemelijk en toornig, wil niet eten1 Kon 21:4
De verzen
1 Kon 21:4Toen kwam Achab in zijn huis, gemelijk en toornig over het woord, dat Naboth, de Jizreeliet, tot hem gesproken had, en gezegd: Ik zal de erve mijner vaderen niet geven. En hij leide zich neder op zijn bed, en keerde zijn aangezicht om, en at geen brood.
- Naäman: zijn de rivieren van Damaskus niet beter dan de Jordaan?2 Kon 5:11–12
De verzen
2 Kon 5:11–12Maar Naaman werd zeer toornig, en toog weg, en zeide: Zie, ik zeide bij mij zelven: Hij zal zekerlijk uitkomen, en staan, en den Naam des HEEREN, Zijns Gods, aanroepen, en zijn hand over de plaats strijken, en den melaatse ontledigen. Zijn niet Abana en Farpar, de rivieren van Damaskus, beter dan alle wateren van Israel; zou ik mij in die niet kunnen wassen en rein worden? Zo wendde hij zich, en toog weg met grimmigheid.
- Asa werpt een ziener in de gevangenis2 Kron 16:10
De verzen
2 Kron 16:10Doch Asa werd toornig tegen den ziener, en leidde hem in het gevangenhuis; want hij was hierover tegen hem ontsteld; daartoe onderdrukte Asa enigen uit het volk ter zelfder tijd.
- Uzzia wordt toornig op de priesters, met het reukvat in zijn hand2 Kron 26:19
De verzen
2 Kron 26:19Toen werd Uzzia toornig, en het reukwerk was in zijn hand, om te roken; als hij nu toornig werd tegen de priesteren, rees de melaatsheid op aan zijn voorhoofd, voor het aangezicht der priesteren in het huis des HEEREN, van boven het reukaltaar.
- Ahasveros wordt zeer verbolgen als koningin Vasthi weigert te komenEst 1:12
De verzen
Est 1:12Doch de koningin Vasthi weigerde te komen op het woord des konings, hetwelk door den dienst der kamerlingen haar aangezegd was. Toen werd de koning zeer verbolgen, en zijn grimmigheid ontstak in hem.
- Haman wordt vervuld met grimmigheid als Mordechai niet buigtEst 3:5
De verzen
Est 3:5Toen Haman zag, dat Mordechai zich niet neigde, noch zich voor hem nederboog, zo werd Haman vervuld met grimmigheid.
- Elihu ontsteekt in toorn tegen Job en zijn drie vriendenJob 32:2–3
De verzen
Job 32:2–3Zo ontstak de toorn van Elihu, den zoon van Baracheel, den Buziet, van het geslacht van Ram; tegen Job werd zijn toorn ontstoken, omdat hij zijn ziel meer rechtvaardigde dan God. Zijn toorn ontstak ook tegen zijn drie vrienden, omdat zij, geen antwoord vindende, nochtans Job verdoemden.
- Nebukadnezar laat de oven zevenmaal heter stokenDan 3:13, Dan 3:19
De verzen
Dan 3:13Toen zeide Nebukadnezar in toorn en grimmigheid, dat men Sadrach, Mesach en Abed-nego voorbrengen zou; toen werden die mannen voor den koning gebracht.
Dan 3:19Toen werd Nebukadnezar vol grimmigheid, en de gedaante zijns aangezichts veranderde tegen Sadrach, Mesach en Abed-nego; hij antwoordde en zeide, dat men den oven zevenmaal meer heet zou maken dan men dien pleegt heet te maken.
- Jona over de verdorde wonderboom: “Billijk is mijn toorn ontstoken ter dood toe”Jona 4:1, Jona 4:9
- Herodes, door de wijzen bedrogen, wordt zeer toornigMatt 2:16
De verzen
Matt 2:16Als Herodes zag, dat hij van de wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig, en enigen afgezonden hebbende, heeft omgebracht al de kinderen, die binnen Bethlehem, en in al deszelfs landpalen waren, van twee jaren oud en daaronder, naar den tijd, dien hij van de wijzen naarstiglijk onderzocht had.
- De synagoge van Nazareth wil Jezus van een steile rand werpenLuc 4:28–29
De verzen
Luc 4:28–29En zij werden allen in de synagoge met toorn vervuld, als zij dit hoorden. En opstaande, wierpen zij Hem uit, buiten de stad, en leidden Hem op den top des bergs, op denwelken hun stad gebouwd was, om Hem van de steilte af te werpen.
- Jezus ziet hen met toorn aan om de verharding van hun hartMarc 3:5
De verzen
Marc 3:5En als Hij hen met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij strekte ze uit; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.
- De Raad knarst de tanden tegen StefanusHand 7:54–58
De verzen
Hand 7:54–58Als zij nu dit hoorden, berstten hun harten, en zij knersten de tanden tegen hem. Maar hij, vol zijnde des Heiligen Geestes, en de ogen houdende naar den hemel, zag de heerlijkheid Gods, en Jezus, staande ter rechter hand Gods. En hij zeide: Ziet, ik zie de hemelen geopend, en den Zoon des mensen, staande ter rechter hand Gods. Maar zij, roepende met grote stemme, stopten hun oren, en vielen eendrachtelijk op hem aan; En wierpen hem ter stad uit, en stenigden hem; en de getuigen legden hun klederen af aan de voeten eens jongelings, genaamd Saulus.
- Paulus tegen de hogepriester: “Gij gewitte wand!”Hand 23:3
De verzen
Hand 23:3Toen zeide Paulus tot hem: God zal u slaan, gij gewitte wand! Zit gij ook om mij te oordelen naar de wet, en beveelt gij, tegen de wet, dat men mij zal slaan?
Bronnen
Naar Nave’s Topical Bible (Orville J. Nave, 1896; publiek domein): onderwerpen gekozen, regels ingekort en in hedendaagse taal gezet, zonder uitleg; elk vers gecontroleerd.
De Heilige Schrift 1917 · Publiek domein