Ontdekken › Onderwerpen › Belastingen
Dagelijks leven
Belastingen in de Bijbel
Gedeelten van De Heilige Schrift 1917 (35), regel voor regel, uit Nave’s Topical Bible.
- Ieder die bij de telling geteld werd, gaf een halve sikkelEx 30:11–16, Ex 38:26
De verzen
Ex 30:11–16Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende: Als gij de som van de kinderen Israels opnemen zult, naar de getelden onder hen, zo zullen zij een iegelijk de verzoening zijner ziel den HEERE geven, als gij hen tellen zult; opdat onder hen geen plage zij, als gij hen tellen zult. Dit zullen zij geven, al die tot de getelden overgaat, de helft eens sikkels, naar den sikkel des heiligdoms (deze sikkel is twintig gera); de helft eens sikkels is een hefoffer den HEERE. Al wie overgaat tot de getelden, van twintig jaren oud en daarboven, zal het hefoffer des HEEREN geven. De rijke zal het niet vermeerderen, en de arme zal niet verminderen van de helft des sikkels, als gij het hefoffer des HEEREN geeft om voor uw zielen verzoening te doen. Gij dan zult het geld der verzoeningen van de kinderen Israels nemen, en zult het leggen tot den dienst van de tent der samenkomst; en het zal den kinderen Israels ter gedachtenis zijn, voor het aangezicht des HEEREN, om voor uw zielen verzoening te doen.
Ex 38:26Een beka voor elk hoofd, dat is een halve sikkel, naar den sikkel des heiligdoms, van een ieder, die overging tot de getelden, van twintig jaren oud en daarboven, namelijk zeshonderd drie duizend, vijfhonderd en vijftig.
- Een derde sikkel per jaar voor het huis van GodNeh 10:32
De verzen
Neh 10:32Voorts zetten wij ons geboden op, ons opleggende een derde deel van een sikkel in het jaar, tot den dienst van het huis onzes Gods;
- Jozef: een vijfde van de oogst van Egypte is voor FaraoGen 41:34, Gen 47:24
De verzen
Gen 41:34Farao doe zo, en bestelle opzieners over het land; en neme het vijfde deel des lands van Egypte in de zeven jaren des overvloeds.
Gen 47:24Doch met de inkomsten zal het geschieden, dat gij aan Farao het vijfde deel zult geven, en de vier delen zullen voor u zijn, tot zaad des velds, en tot uw spijze en van degenen, die in uw huizen zijn, en om te eten voor uw kinderkens.
- Alleen het land van de Egyptische priesters behoort niet aan FaraoGen 47:26
De verzen
Gen 47:26Jozef dan stelde ditzelve in tot een wet, tot dezen dag, over het land van Egypte, dat Farao het vijfde deel zou hebben; behalve dat alleen het land der priesteren van Farao niet werd.
- Een Perzische koning stelt priesters en tempeldienaren vrij van belastingEzra 7:24
De verzen
Ezra 7:24Ook laten wij ulieden weten, aangaande alle priesteren en Levieten, zangers, poortiers, Nethinim en dienaars van het huis dezes Gods, dat men den cijns, ouden impost en tol hun niet zal vermogen op te leggen.
- De familie van wie Goliath doodt, wordt van belasting vrijgesteld1 Sam 17:25
De verzen
1 Sam 17:25En de mannen Israels zeiden: Hebt gijlieden dien man wel gezien, die opgekomen is? Want hij is opgekomen, om Israel te honen; en het zal geschieden, dat de koning dien man, die hem slaat, met groten rijkdom verrijken zal, en hij zal hem zijn dochter geven, en hij zal zijns vaders huis vrijmaken in Israel.
- Belastingvrijdom ter gelegenheid van Esthers maaltijdEst 2:18
De verzen
Est 2:18Toen maakte de koning een groten maaltijd al zijn vorsten en zijn knechten, den maaltijd van Esther; en hij gaf den landschappen rust, en hij gaf geschenken naar des konings vermogen.
- Ahasveros legt schatting op tot aan de verste kustenEst 10:1
De verzen
Est 10:1Daarna leide de koning Ahasveros schatting op het land, en de eilanden der zee.
Koningen en belastingen
- Salomo’s twaalf stadhouders onderhouden elk een maand het hof1 Kon 4:7
De verzen
1 Kon 4:7En Salomo had twaalf bestelmeesters over gans Israel, die den koning en zijn huis verzorgden; voor elk was een maand in het jaar om te verzorgen.
- Salomo’s voorraden voor één dag1 Kon 4:22–23
De verzen
1 Kon 4:22–23De spijze nu van Salomo was voor een dag, dertig kor meelbloem, en zestig kor meel; Tien vette runderen, en twintig weiderunderen, en honderd schapen; uitgenomen de herten, en reeen, en buffelen en gemeste vogelen.
- Herendienst voor Salomo’s bouwwerken1 Kon 9:15
De verzen
1 Kon 9:15Dit is nu de oorzaak van het uitschot, dat de koning Salomo deed opkomen, om het huis des HEEREN te bouwen, en zijn huis, en Millo, en den muur van Jeruzalem, mitsgaders Hazor, en Megiddo, en Gezer.
- Adoram had het toezicht over de herendienst2 Sam 20:24, 1 Kon 4:6
De verzen
2 Sam 20:24En Adoram was over de schatting; en Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier;
1 Kon 4:6En Ahisar was hofmeester; en Adoniram, de zoon van Abda, was over de schatting.
- Israël vraagt Rehabeam het zware juk te verlichten1 Kon 12:4
De verzen
1 Kon 12:4Uw vader heeft ons juk hard gemaakt; gij dan nu, maak uws vaders harden dienst, en zijn zwaar juk, dat hij ons opgelegd heeft, lichter, en wij zullen u dienen.
- Israël stenigt Adoram dood; Rehabeam vlucht1 Kon 12:18
De verzen
1 Kon 12:18Toen zond de koning Rehabeam Adoram, die over de schatting was; en het ganse Israel stenigde hem met stenen, dat hij stierf; maar de koning Rehabeam verkloekte zich om op een wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte.
- Menahem geeft Pul duizend talenten zilver2 Kon 15:19–20
De verzen
2 Kon 15:19–20Toen kwam Pul, de koning van Assyrie, tegen het land; en Menahem gaf aan Pul duizend talenten zilvers, opdat zijn hand met hem zoude zijn, om het koninkrijk in zijn hand te sterken. Menahem nu bracht dit geld op van Israel, van alle geweldigen van vermogen, om den koning van Assyrie te geven, voor elk man vijftig zilveren sikkels; alzo keerde de koning van Assyrie weder, en bleef daar niet in het land.
- Jojakim schat het land om Farao Necho te betalen2 Kon 23:35
De verzen
2 Kon 23:35En Jojakim gaf dat zilver en dat goud aan Farao; doch hij schatte het land, om dat geld naar het bevel van Farao te geven; een ieder naar zijn schatting eiste hij het zilver en goud af van het volk des lands, om aan Farao Necho te geven.
- Vijanden waarschuwen de koning: Jeruzalem zal geen schatting meer betalenEzra 4:13, Ezra 4:20
De verzen
Ezra 4:13Zo zij nu den koning bekend, indien dezelve stad zal worden opgebouwd, en de muren voltrokken, dat zij den cijns, ouden impost, en tol niet zullen geven, en gij zult aan de inkomsten der koningen schade aanbrengen.
Ezra 4:20Ook zijn er machtige koningen geweest over Jeruzalem, die geheerst hebben overal aan gene zijde der rivier; en hun is cijns, oude impost en tol gegeven.
- Mensen lenen geld om de belasting van de koning op hun akkers te betalenNeh 5:4
De verzen
Neh 5:4Desgelijks waren er, die zeiden: Wij hebben geld ontleend tot des konings cijns, op onze akkers en onze wijngaarden.
- Een belasting op graan, de armen afgenomenAmos 5:11
De verzen
Amos 5:11Daarom, omdat gij den arme vertreedt en een last koren van hem neemt, zo hebt gij wel huizen gebouwd van gehouwen steen, maar gij zult daarin niet wonen; gij hebt gewenste wijngaarden geplant, maar gij zult derzelver wijn niet drinken.
In de evangeliën
- Keizer Augustus beveelt een beschrijving van het hele rijkLuc 2:1–3
De verzen
Luc 2:1–3En het geschiedde in diezelfde dagen, dat er een gebod uitging van den Keizer Augustus, dat de gehele wereld beschreven zou worden. Deze eerste beschrijving geschiedde, als Cyrenius over Syrie stadhouder was. En zij gingen allen om beschreven te worden, een iegelijk naar zijn eigen stad.
- De tempelbelasting: een munt in de bek van een visMatt 17:24–27
De verzen
Matt 17:24–27En als zij te Kapernaum ingekomen waren, gingen tot Petrus die de didrachmen ontvingen, en zeiden: Uw Meester, betaalt Hij de didrachmen niet? Hij zeide: Ja. En toen hij in huis gekomen was, voorkwam hem Jezus, zeggende: Wat dunkt u, Simon! de koningen der aarde, van wie nemen zij tollen of schatting, van hun zonen, of van de vreemden? Petrus zeide tot Hem: Van de vreemden. Jezus zeide tot hem: Zo zijn dan de zonen vrij. Maar opdat wij hun geen aanstoot geven, ga heen naar de zee, werp den angel uit, en den eersten vis, die opkomt, neem, en zijn mond geopend hebbende, zult gij een stater vinden; neem dien, en geef hem aan hen voor Mij en u.
- “Is het geoorloofd, den keizer schatting te geven of niet?”Matt 22:17–21
De verzen
Matt 22:17–21Zeg ons dan: wat dunkt U? Is het geoorloofd, den keizer schatting te geven of niet? Maar Jezus, bekennende hun boosheid, zeide: Gij geveinsden, wat verzoekt gij Mij? Toont Mij de schattingpenning. En zij brachten Hem een penning. En Hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld en het opschrift? Zij zeiden tot Hem: Des keizers. Toen zeide Hij tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is.
- Johannes tegen de tollenaars: “Eist niet meer, dan hetgeen u gezet is”Luc 3:12–13
De verzen
Luc 3:12–13En er kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden, en zeiden tot hem: Meester! wat zullen wij doen? En hij zeide tot hen: Eist niet meer, dan hetgeen u gezet is.
- Levi wordt uit het tolhuis geroepenMarc 2:14, Luc 5:27
- Jezus eet met tollenaars, en Farizeeën maken bezwaarMatt 9:10–11, Matt 11:19
De verzen
Matt 9:10–11En het geschiedde, als Hij in het huis van Mattheus aanzat, ziet, vele tollenaars en zondaars kwamen en zaten mede aan, met Jezus en Zijn discipelen. En de Farizeen, dat ziende, zeiden tot Zijn discipelen: Waarom eet uw Meester met de tollenaren en de zondaren?
Matt 11:19De Zoon des mensen is gekomen, etende en drinkende, en zij zeggen: Ziet daar, een Mens, Die een vraat en wijnzuiper is, een Vriend van tollenaren en zondaren. Doch de Wijsheid is gerechtvaardigd geworden van Haar kinderen.
- Gelijkenis: een Farizeeër en een tollenaar in de tempelLuc 18:10–13
De verzen
Luc 18:10–13Twee mensen gingen op in den tempel om te bidden, de een was een Farizeer, en de ander een tollenaar. De Farizeer, staande, bad dit bij zichzelven: O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook gelijk deze tollenaar. Ik vast tweemaal per week; ik geef tienden van alles, wat ik bezit. En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God! wees mij zondaar genadig!
- Zacheüs, een overste van de tollenaars, wil viervoudig vergoedenLuc 19:2, Luc 19:8
De verzen
Luc 19:2En zie, er was een man, met name geheten Zacheus; en deze was een overste der tollenaren, en hij was rijk;
Luc 19:8En Zacheus stond, en zeide tot den Heere: Zie, de helft van mijn goederen, Heere, geef ik den armen; en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder.
- Paulus: geeft schatting aan wie schatting toekomtRom 13:6–7
De verzen
Rom 13:6–7Want daarom betaalt gij ook schattingen; want zij zijn dienaars van God, in ditzelve geduriglijk bezig zijnde. Zo geeft dan een iegelijk, wat gij schuldig zijt; schatting, dien gij de schatting, tol, dien gij den tol, vreze, dien gij de vreze, eer, dien gij de eer schuldig zijt.
Bronnen
Naar Nave’s Topical Bible (Orville J. Nave, 1896; publiek domein): onderwerpen gekozen, regels ingekort en in hedendaagse taal gezet, zonder uitleg; elk vers gecontroleerd.
De Heilige Schrift 1917 · Publiek domein