Ontdekken › Onderwerpen › Tenten
Dagelijks leven
Tenten in de Bijbel
Gedeelten van De Heilige Schrift 1917 (29), regel voor regel, uit Nave’s Topical Bible.
- Jabal is de vader van hen die in tenten wonen en vee houdenGen 4:20
De verzen
Gen 4:20En Ada baarde Jabal; deze is geweest een vader dergenen, die tenten bewoonden, en vee hadden.
- Abram slaat zijn tent op tussen Beth-El en Ai en trekt dan naar MamreGen 12:8, Gen 13:18
De verzen
Gen 12:8En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-El, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-El tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar den HEERE een altaar, en riep den Naam des HEEREN aan.
Gen 13:18En Abram sloeg tenten op, en kwam en woonde aan de eikenbossen van Mamre, die bij Hebron zijn; en hij bouwde aldaar den HEERE een altaar.
- Ook Lot heeft schapen, runderen en tentenGen 13:5
De verzen
Gen 13:5En Lot, die met Abram toog, had ook schapen, en runderen, en tenten.
- Abraham zit in de hitte van de dag aan de deur van zijn tentGen 18:1–2
De verzen
Gen 18:1–2Daarna verscheen hem de HEERE aan de eikenbossen van Mamre, als hij in de deur der tent zat, toen de dag heet werd. En hij hief zijn ogen op en zag; en ziet, daar stonden drie mannen tegenover hem; als hij hen zag, zo liep hij hun tegemoet van de deur der tent, en boog zich ter aarde.
- Sara luistert aan de deur van de tentGen 18:9–10
De verzen
Gen 18:9–10Toen zeiden zij tot hem: Waar is Sara, uw huisvrouw? En hij zeide: Ziet, in de tent. En Hij zeide: Ik zal voorzeker weder tot u komen, omtrent dezen tijd des levens; en zie, Sara, uw huisvrouw, zal een zoon hebben! En Sara hoorde het aan de deur der tent, welke achter Hem was.
- Izak brengt Rebekka in de tent van zijn moeder SaraGen 24:67
De verzen
Gen 24:67En Izak bracht haar in de tent van zijn moeder Sara; en hij nam Rebekka, en zij werd hem ter vrouw, en hij had haar lief. Alzo werd Izak getroost na zijner moeders dood.
- Izak slaat zijn tent op, en zijn knechten graven een putGen 26:25
De verzen
Gen 26:25Toen bouwde hij daar een altaar, en riep den Naam des HEEREN aan. En hij sloeg aldaar zijn tent op; en Izaks knechten groeven daar een put.
- Jakob, Lea, Rachel en de dienstmaagden hebben elk een eigen tentGen 31:33
De verzen
Gen 31:33Toen ging Laban in de tent van Jakob, en in de tent van Lea, en in de tent van de beide dienstmaagden, en hij vond niets; en als hij uit de tent van Lea gegaan was, kwam hij in de tent van Rachel.
- Abraham, Izak en Jakob woonden in tentenHebr 11:9
De verzen
Hebr 11:9Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land der belofte, als in een vreemd land, en heeft in tabernakelen gewoond met Izak en Jakob, die medeerfgenamen waren derzelfde belofte.
- Tenten hadden gordijnen, koorden en pinnenJes 54:2, Jer 10:20
De verzen
Jes 54:2Maak de plaats uwer tenten wijd, en dat men de gordijnen uwer woningen uitbreide, verhinder het niet; maak uw koorden lang, en steek uw pinnen vast in.
Jer 10:20Mijn tent is verstoord, en al mijn zelen zijn verscheurd; mijn kinderen zijn van mij uitgegaan, en zij zijn er niet; er is niemand meer, die mijn tent uitspant, en mijn gordijnen opricht.
- Zwart als de tenten van KedarHoogl 1:5
De verzen
Hoogl 1:5Ik ben zwart, doch liefelijk (gij dochteren van Jeruzalem!), gelijk de tenten van Kedar, gelijk de gordijnen van Salomo.
- Paulus, Aquila en Priscilla waren tentenmakers van beroepHand 18:2–3
De verzen
Hand 18:2–3En vond een zekeren Jood, met name Aquila, van geboorte uit Pontus, die onlangs van Italie gekomen was, en Priscilla, zijn vrouw, (omdat Claudius bevolen had, dat al de Joden uit Rome vertrekken zouden), en hij ging tot hen; En omdat hij van hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen, en wrocht; want zij waren tentenmakers van handwerk.
In de woestijn
- Mozes begroet zijn schoonvader, en zij gaan de tent inEx 18:7
De verzen
Ex 18:7Toen ging Mozes uit, zijn schoonvader tegemoet, en hij boog zich, en kuste hem; en zij vraagden de een den ander naar den welstand, en zij gingen naar de tent.
- Israël legert zich naar zijn legers, ieder bij zijn banierNum 1:52, Num 2:2
De verzen
Num 1:52En de kinderen Israels zullen zich legeren, een iegelijk bij zijn leger, en een iegelijk bij zijn banier, naar hun heiren.
Num 2:2De kinderen Israels zullen zich legeren, een ieder onder zijn banier, naar de tekenen van het huis hunner vaderen; rondom tegenover de tent der samenkomst zullen zij zich legeren.
- Het volk staat aan de deur van zijn tenten en kijkt Mozes naEx 33:8
De verzen
Ex 33:8En het geschiedde, wanneer Mozes uitging naar de tent, stond al het volk op, en een ieder stelde zich in de deur zijner tent; en zij zagen Mozes na, totdat hij de tent ingegaan was.
- Bileam: “Hoe goed zijn uw tenten, Jakob!”Num 24:5
De verzen
Num 24:5Hoe goed zijn uw tenten, Jakob! uw woningen, Israel!
- Achan begraaft zilver en goud in de aarde in zijn tentJoz 7:21–22
De verzen
Joz 7:21–22Want ik zag onder den roof een schoon sierlijk Babylonisch overkleed, en tweehonderd sikkelen zilvers, en een gouden tong, welker gewicht was vijftig sikkelen; en ik kreeg lust daartoe, en ik nam ze; en zie, zij zijn verborgen in de aarde, in het midden mijner tent, en het zilver daaronder. Toen zond Jozua boden henen, die tot de tent liepen; en ziet, het lag verborgen in zijn tent, en het zilver daaronder.
In de verhalen
- Jaël geeft Sisera in haar tent melk en doodt hem met een tentpinRecht 4:18–21, Recht 5:25–26
De verzen
Recht 4:18–21Jael nu ging uit, Sisera tegemoet, en zeide tot hem: Wijk in, mijn heer, wijk in tot mij, vrees niet! En hij week tot haar in de tent, en zij bedekte hem met een deken. Daarna zeide hij tot haar: Geef mij toch een weinig waters te drinken, want mij dorst. Toen opende zij een melkfles, en gaf hem te drinken, en dekte hem toe. Ook zeide hij tot haar: Sta in de deur der tent; en het zij, zo iemand zal komen, en u vragen, en zeggen: Is hier iemand? dat gij zegt: Niemand. Daarna nam Jael, de huisvrouw van Heber, een nagel der tent, en greep een hamer in haar hand, en ging stilletjes tot hem in, en dreef den nagel in den slaap zijns hoofds, dat hij in de aarde vast werd; hij nu was met een diepen slaap bevangen en vermoeid, en stierf.
Recht 5:25–26Water eiste hij, melk gaf zij; in een herenschaal bracht zij boter. Haar hand sloeg zij aan den nagel, en haar rechterhand aan den hamer der arbeidslieden; en zij klopte Sisera; zij streek zijn hoofd af, als zij zijn slaap had doorgenageld en doorgedrongen.
- De Midianieten komen met hun vee en tenten als sprinkhanenRecht 6:5
De verzen
Recht 6:5Want zij kwamen op met hun vee en hun tenten; zij kwamen gelijk de sprinkhanen in menigte, dat men hen en hun kemelen niet tellen kon; en zij kwamen in het land, om dat te verderven.
- David legt de wapens van Goliath in zijn eigen tent1 Sam 17:54
De verzen
1 Sam 17:54Daarna nam David het hoofd van den Filistijn, en bracht het naar Jeruzalem; maar zijn wapenen leide hij in zijn tent.
- Uria: de ark, Israël en Juda wonen in tenten2 Sam 11:11
De verzen
2 Sam 11:11En Uria zeide tot David: De ark, en Israel, en Juda blijven in de tenten; en mijn heer Joab, en de knechten mijns heren zijn gelegerd op het open veld, en zou ik in mijn huis gaan, om te eten en te drinken, en bij mijn huisvrouw te liggen? Zo waarachtig als gij leeft en uw ziel leeft, indien ik deze zaak doen zal!
- “Een iegelijk naar zijn tenten, o Israël!”2 Sam 20:1, 1 Kon 12:16
De verzen
2 Sam 20:1Toen was daar bij geval een Belials man, wiens naam was Seba, een zoon van Bichri, een man van Jemini; die blies met de bazuin, en zeide: Wij hebben geen deel aan David, en wij hebben geen erfenis aan den zoon van Isai, een iegelijk naar zijn tenten, o Israel!
1 Kon 12:16Toen gans Israel zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo gaf het volk den koning weder antwoord, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan den zoon van Isai; naar uw tenten, o Israel! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging Israel naar zijn tenten.
- Asa’s leger valt de tenten van de herders aan en neemt schapen en kemelen2 Kron 14:15
De verzen
2 Kron 14:15En zij sloegen ook de tenten van het vee, en voerden weg schapen in menigte, en kemelen; en kwamen weder te Jeruzalem.
- De tent van een herder wordt opgebroken en weggevoerdJes 38:12
De verzen
Jes 38:12Mijn levenstijd is weggetogen, en van mij weggevoerd gelijk eens herders hut; ik heb mijn leven afgesneden, gelijk een wever zijn web; Hij zal mij afsnijden, als van den drom; van den dag tot den nacht zult Gij mij ten einde gebracht hebben.
Bronnen
Naar Nave’s Topical Bible (Orville J. Nave, 1896; publiek domein): onderwerpen gekozen, regels ingekort en in hedendaagse taal gezet, zonder uitleg; elk vers gecontroleerd.
De Heilige Schrift 1917 · Publiek domein