Ontdekken › Onderwerpen › Vriendschap
Dagelijks leven
Vriendschap in de Bijbel
Gedeelten van De Heilige Schrift 1917 (45), regel voor regel, uit Nave’s Topical Bible.
- Een vriend heeft te allen tijde lief; een broeder wordt in de benauwdheid geborenSpr 17:17
De verzen
Spr 17:17Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.
- Er is een vriend die meer aankleeft dan een broederSpr 18:24
De verzen
Spr 18:24Een man, die vrienden heeft, heeft zich vriendelijk te houden; want er is een liefhebber, die meer aankleeft dan een broeder.
- De wonden van een vriend zijn trouwSpr 27:6
De verzen
Spr 27:6De wonden des liefhebbers zijn getrouw; maar de kussingen des haters zijn af te bidden.
- Beter een nabije buur dan een verre broederSpr 27:10
De verzen
Spr 27:10Verlaat uw vriend, noch den vriend uws vaders niet; en ga ten huize uws broeders niet op den dag van uw tegenspoed. Beter is een gebuur die nabij is, dan een broeder, die verre is.
- IJzer scherpt ijzer, zo scherpt een man de anderSpr 27:17
De verzen
Spr 27:17Ijzer scherpt men met ijzer; alzo scherpt een man het aangezicht zijns naasten.
- Zet je voet zelden in het huis van je naaste, anders wordt hij je moeSpr 25:17
De verzen
Spr 25:17Spaar uw voet van het huis uws naasten, opdat hij niet zat van u worde, en u hate.
- Een luide zegen vroeg in de morgen geldt als een vloekSpr 27:14
De verzen
Spr 27:14Die zijn vriend zegent met luider stem, zich des morgens vroeg opmakende, het zal hem tot een vloek gerekend worden.
- Ga niet om met een opvliegend manSpr 22:24–25
De verzen
Spr 22:24–25Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man; Opdat gij zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt.
- Rijkdom brengt veel vrienden; de arme wordt verlatenSpr 19:4, Spr 19:6
- Wie een zaak blijft ophalen, scheidt vriendenSpr 17:9
De verzen
Spr 17:9Die de overtreding toedekt, zoekt liefde; maar die de zaak weder ophaalt, scheidt den voornaamsten vriend.
- Twee zijn beter dan één; een drievoudig snoer breekt niet snelPred 4:9–12
De verzen
Pred 4:9–12Twee zijn beter dan een; want zij hebben een goede beloning van hun arbeid; Want indien zij vallen, de een richt zijn metgezel op; maar wee den ene, die gevallen is, want er is geen tweede om hem op te helpen. Ook, indien twee te zamen liggen, zo hebben zij warmte; maar hoe zou een alleen warm worden? En indien iemand den een mocht overweldigen, zo zullen de twee tegen hem bestaan; en een drievoudig snoer wordt niet haast gebroken.
- Een vertrouwde vriend die zijn brood at, keerde zich tegen de psalmistPs 41:9, Ps 55:12–14
De verzen
Ps 41:9Zelfs de man mijns vredes, op welken ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven.
Ps 55:12–14Want het is geen vijand, die mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen; het is mijn hater niet, die zich tegen mij groot maakt, anders zou ik mij voor hem verborgen hebben. Maar gij zijt het, o mens, als van mijn waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende! Wij, die te zamen in zoetigheid heimelijk raadpleegden; wij wandelden in gezelschap ten huize Gods.
- Job klaagt dat zijn vrienden zich tegen hem gekeerd hebbenJob 6:14–15, Job 16:20, Job 19:19
De verzen
Job 6:14–15Aan hem, die versmolten is, zou van zijn vriend weldadigheid geschieden; of hij zou de vreze des Almachtigen verlaten. Mijn broeders hebben trouwelooslijk gehandeld als een beek; als de storting der beken gaan zij door;
Job 16:20Mijn vrienden zijn mijn bespotters; doch mijn oog druipt tot God.
Job 19:19Alle mensen mijns heimelijken raads hebben een gruwel aan mij; en die ik liefhad, zijn tegen mij gekeerd.
- Bij Paulus’ eerste verdediging lieten allen hem in de steek2 Tim 4:16
De verzen
2 Tim 4:16In mijn eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, maar zij hebben mij allen verlaten. Het worde hun niet toegerekend.
- Jezus: niemand heeft groter liefde dan wie zijn leven geeft voor zijn vriendenJoh 15:13–15
De verzen
Joh 15:13–15Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijn vrienden. Gij zijt Mijn vrienden, zo gij doet wat Ik u gebiede. Ik heet u niet meer dienstknechten; want de dienstknecht weet niet, wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd; want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekend gemaakt.
Voorbeelden
- Abram redt zijn verwant Lot met 318 geoefende knechtenGen 14:14–16
De verzen
Gen 14:14–16Als Abram hoorde, dat zijn broeder gevangen was, zo wapende hij zijn onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hij jaagde hen na tot Dan toe. En hij verdeelde zich tegen hen des nachts, hij en zijn knechten, en sloeg ze; en hij jaagde hen na tot Hoba toe, hetwelk is ter linkerhand van Damaskus. En hij bracht alle have weder, en ook Lot zijn broeder en deszelfs have bracht hij weder, als ook de vrouwen, en het volk.
- Ruth verlaat Naomi niet: “Waar gij zult heengaan, zal ik ook heengaan”Ruth 1:16–17
De verzen
Ruth 1:16–17Maar Ruth zeide: Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten, om van achter u weder te keren; want waar gij zult heengaan, zal ik ook heengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk, en uw God mijn God. Waar gij zult sterven, zal ik sterven, en aldaar zal ik begraven worden; alzo doe mij de HEERE en alzo doe Hij daartoe, zo niet de dood alleen zal scheiding maken tussen mij en tussen u!
- Samuël treurt over Saul1 Sam 15:35, 1 Sam 16:1
De verzen
1 Sam 15:35En Samuel zag Saul niet meer tot den dag zijns doods toe; evenwel droeg Samuel leed om Saul; en het berouwde den HEERE, dat Hij Saul tot koning over Israel gemaakt had.
1 Sam 16:1Toen zeide de HEERE tot Samuel: Hoe lang draagt gij leed om Saul, dien Ik toch verworpen heb, dat hij geen koning zij over Israel? Vul uw hoorn met olie, en ga heen; Ik zal u zenden tot Isai, den Bethlehemiet; want Ik heb Mij een koning onder zijn zonen uitgezien.
- Jonathan heeft David lief als zichzelf en geeft hem zijn mantel1 Sam 18:1–4
De verzen
1 Sam 18:1–4Het geschiedde nu, als hij geeindigd had tot Saul te spreken, dat de ziel van Jonathan verbonden werd aan de ziel van David; en Jonathan beminde hem als zijn ziel. En Saul nam hem te dien dage, en liet hem niet werderkeren tot zijns vaders huis. Jonathan nu en David maakten een verbond, dewijl hij hem liefhad als zijn ziel. En Jonathan deed zijn mantel af, dien hij aan had, en gaf hem aan David, ook zijn klederen, ja, tot zijn zwaard toe, en tot zijn boog toe, en tot zijn gordel toe.
- David en Jonathan kussen elkaar, wenen en scheiden met een eed1 Sam 20:41–42, 1 Sam 23:16–18
De verzen
1 Sam 20:41–42Als de jongen heenging, zo stond David op van de zuidzijde, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde, en hij boog zich driemaal; en zij kusten elkander, en weenden met elkander, totdat het David gans veel maakte. Toen zeide Jonathan tot David: Ga in vrede; hetgeen wij beiden in den naam des HEEREN gezworen hebben, zeggende: De HEERE zij tussen mij en tussen u, en tussen mijn zaad en tussen uw zaad, zij tot in eeuwigheid! Daarna stond hij op, en ging heen; en Jonathan kwam in de stad.
1 Sam 23:16–18Toen maakte zich Jonathan, de zoon van Saul, op, en hij ging tot David in het woud; en hij versterkte zijn hand in God. En hij zeide tot hem: Vrees niet, want de hand van Saul, mijn vader, zal u niet vinden, maar gij zult koning worden over Israel, en ik zal de tweede bij u zijn; ook weet mijn vader Saul zulks wel. En die beiden maakten een verbond voor het aangezicht des HEEREN; en David bleef in het woud, maar Jonathan ging naar zijn huis.
- Davids klaaglied: “Uw liefde was mij wonderlijker dan liefde der vrouwen”2 Sam 1:26
De verzen
2 Sam 1:26Ik ben benauwd om uwentwil, mijn broeder Jonathan! Gij waart mij zeer liefelijk; uw liefde was mij wonderlijker dan liefde der vrouwen.
- Om Jonathans wil eet Mefiboseth altijd aan Davids tafel2 Sam 9:1, 2 Sam 9:7
De verzen
2 Sam 9:1En David zeide: Is er nog iemand die overgebleven is van het huis van Saul, dat ik weldadigheid aan hem doe, om Jonathans wil?
2 Sam 9:7En David zeide tot hem: Vrees niet, want ik zal zekerlijk weldadigheid bij u doen, om uws vaders Jonathans wil; en ik zal u alle akkers van uw vader Saul wedergeven; en gij zult geduriglijk brood eten aan mijn tafel.
- David tegen de priester Abjathar: “Blijf bij mij; vrees niet”1 Sam 22:23
De verzen
1 Sam 22:23Blijf bij mij; vrees niet; want wie mijn ziel zoeken zal, die zal uw ziel zoeken; maar gij zult met mij in bewaring zijn.
- Hiram, koning van Tyrus, was altijd een vriend van David geweest1 Kon 5:1
De verzen
1 Kon 5:1En Hiram, de koning van Tyrus, zond zijn knechten tot Salomo (want hij had gehoord, dat zij Salomo tot koning gezalfd hadden in zijns vaders plaats), dewijl Hiram David altijd bemind had.
- Davids vriend Husai blijft trouw tijdens de opstand van Absalom2 Sam 15:32–37, 2 Sam 16:16–17
De verzen
2 Sam 15:32–37En het geschiedde, als David tot op de hoogte kwam, dat hij aldaar God aanbad; ziet, toen ontmoette hem Husai, de Archiet, hebbende zijn rok gescheurd, en aarde op zijn hoofd. En David zeide tot hem: Zo gij met mij voortgaat, zo zult gij mij tot een last zijn; Maar zo gij weder in de stad gaat, en tot Absalom zegt: Uw knecht, ik zal des konings zijn; ik ben wel uws vaders knecht van te voren geweest, maar nu zal ik uw knecht zijn; zo zoudt gij mij den raad van Achitofel te niet maken. En zijn niet Zadok en Abjathar, de priesters, aldaar met u? Zo zal het geschieden, dat gij alle ding, dat gij uit des konings huis zult horen, den priesteren, Zadok en Abjathar, zult te kennen geven. Ziet, hun beide zonen zijn aldaar bij hen, Ahimaaz, Zadoks, en Jonathan, Abjathars zoon; zo zult gijlieden door hun hand tot mij zenden alle ding, dat gij zult horen. Alzo kwam Husai, Davids vriend, in de stad; en Absalom kwam te Jeruzalem.
2 Sam 16:16–17En het geschiedde, als Husai, de Archiet, Davids vriend, tot Absalom kwam, dat Husai tot Absalom zeide: De koning leve, de koning leve! Maar Absalom zeide tot Husai: Is dit uw weldadigheid aan uw vriend? Waarom zijt gij niet met uw vriend getogen?
- Ithai de Gethiet weigert de vluchtende David te verlaten2 Sam 15:19–21
De verzen
2 Sam 15:19–21Zo zeide de koning tot Ithai, den Gethiet: Waarom zoudt gij ook met ons gaan? Keer weder, en blijf bij den koning; want gij zijt vreemd, en ook zult gij weder vertrekken naar uw plaats. Gisteren zijt gij gekomen, en heden zou ik u met ons omvoeren om te gaan? Zo ik toch gaan moet, waarheen ik gaan kan, keer weder; en breng uw broederen wederom; weldadigheid en trouw zij met u. Maar Ithai antwoordde den koning, en zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft, en mijn heer de koning leeft, in de plaats, waar mijn heer de koning zal zijn, hetzij ten dode, hetzij ten leven, daar zal uw knecht voorzeker ook zijn!
- Koning Ahazia bezoekt de gewonde koning Joram2 Kon 8:28–29
De verzen
2 Kon 8:28–29En hij toog met Joram, den zoon van Achab, naar den strijd, te Ramoth in Gilead, tegen Hazael, den koning van Syrie; en de Syriers sloegen Joram. Toen keerde Joram, de koning, wederom, opdat hij zich te Jizreel helen liet van de slagen, die hem de Syriers te Rama geslagen hadden, als hij streed tegen Hazael, den koning van Syrie; en Ahazia, de zoon van Jehoram, de koning van Juda, kwam af, om Joram, den zoon van Achab, te Jizreel te bezien, want hij was krank.
- Jobs drie vrienden zitten zeven dagen zwijgend bij hemJob 2:11–13
De verzen
Job 2:11–13Als nu de drie vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad, dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit zijn plaats, Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naamathiet; en zij waren het eens geworden, dat zij kwamen om hem te beklagen, en om hem te vertroosten. En toen zij hun ogen van verre ophieven, kenden zij hem niet, en hieven hun stem op, en weenden; daartoe scheurden zij een ieder zijn mantel, en strooiden stof op hun hoofden naar den hemel. Alzo zaten zij met hem op de aarde, zeven dagen en zeven nachten; en niemand sprak tot hem een woord, want zij zagen, dat de smart zeer groot was.
- Daniël vraagt de koning zijn drie vrienden te verhogenDan 2:17–18, Dan 2:49
De verzen
Dan 2:17–18Toen ging Daniel naar zijn huis, en hij gaf de zaak zijn metgezellen, Hananja, Misael, en Azarja te kennen; Opdat zij van den God des hemels barmhartigheden verzochten over deze verborgenheid, dat Daniel en zijn metgezellen met de overige wijzen van Babel niet omkwamen.
Dan 2:49Toen verzocht Daniel van den koning; en hij stelde Sadrach, Mesach en Abed-nego over de bediening van het landschap van Babel; maar Daniel bleef aan de poort des konings.
- Jezus had Martha, haar zuster en Lazarus liefLuc 10:38–39, Joh 11:5, Joh 11:11
De verzen
Luc 10:38–39En het geschiedde, als zij reisden, dat Hij kwam in een vlek; en een zekere vrouw, met name Martha, ontving Hem in haar huis. En deze had een zuster, genaamd Maria, welke ook, zittende aan de voeten van Jezus, Zijn woord hoorde.
Joh 11:5Jezus nu had Martha, en haar zuster, en Lazarus lief.
Joh 11:11Dit sprak Hij; en daarna zeide Hij tot hen: Lazarus, onze vriend, slaapt; maar Ik ga heen, om hem uit den slaap op te wekken.
- Paulus’ neef waarschuwt hem voor een aanslagHand 23:16
De verzen
Hand 23:16En als de zoon van Paulus' zuster deze lage gehoord had, kwam hij daar, en ging in de legerplaats, en boodschapte het Paulus.
- Priscilla en Aquila waagden hun leven voor PaulusRom 16:3–4
De verzen
Rom 16:3–4Groet Priscilla en Aquila, mijn medewerkers in Christus Jezus; Die voor mijn leven hun hals gesteld hebben; denwelken niet alleen ik danke, maar ook al de Gemeenten der heidenen.
- Paulus over Timotheüs: “Ik heb niemand, die even alzo gemoed is”Fil 2:19–22
De verzen
Fil 2:19–22En ik hoop in den Heere Jezus Timotheus haast tot u te zenden, opdat ik ook welgemoed moge zijn, als ik uw zaken zal verstaan hebben. Want ik heb niemand, die even alzo gemoed is, dewelke oprechtelijk uw zaken zal bezorgen. Want zij zoeken allen het hunne, niet hetgeen van Christus Jezus is. En gij weet zijn beproeving, dat hij, als een kind zijn vader, met mij gediend heeft in het Evangelie.
- Epafroditus, Paulus’ broeder, medearbeider en medestrijderFil 2:25
De verzen
Fil 2:25Maar ik heb nodig geacht tot u te zenden Epafroditus, mijn broeder, en medearbeider en medestrijder, en uw afgezondene, en bedienaar mijner nooddruft;
Bronnen
Naar Nave’s Topical Bible (Orville J. Nave, 1896; publiek domein): onderwerpen gekozen, regels ingekort en in hedendaagse taal gezet, zonder uitleg; elk vers gecontroleerd.
De Heilige Schrift 1917 · Publiek domein