Bible Explorer

Ontdekken › Onderwerpen › Begrafenis en graven

Dagelijks leven

Begrafenis en graven in de Bijbel

Gedeelten van De Heilige Schrift 1917 (42), regel voor regel, uit Nave’s Topical Bible.

  • De doden werden snel begraven, vaak nog dezelfde dagDeut 21:23, Hand 5:6, Hand 5:10
    De verzen
    Deut 21:23Zo zal zijn dood lichaam aan het hout niet overnachten; maar gij zult het zekerlijk ten zelven dage begraven; want een opgehangene is Gode een vloek. Alzo zult gij uw land niet verontreinigen, dat u de HEERE, uw God, ten erve geeft.
    Hand 5:6En de jongelingen, opstaande, schikten hem toe, en droegen hem uit, en begroeven hem.
    Hand 5:10En zij viel terstond neder voor zijn voeten, en gaf den geest. En de jongelingen ingekomen zijnde, vonden haar dood en droegen ze uit, en begroeven haar bij haar man.
  • Ter ere van gestorven koningen werden specerijen verbrandJer 34:5
    De verzen
    Jer 34:5Gij zult sterven in vrede, en naar de brandingen van uw vaderen, de vorige koningen, die voor u geweest zijn, alzo zullen zij over u branden, en u beklagen, zeggende: Och heer! want Ik heb het woord gesproken, spreekt de HEERE.
  • Koning David loopt achter Abners baar en weent bij zijn graf2 Sam 3:31–32
    De verzen
    2 Sam 3:31–32David dan zeide tot Joab en tot al het volk, dat bij hem was: Scheurt uw klederen, en gordt zakken aan, en weeklaagt voor Abner henen; en de koning David ging achter de baar. Als zij nu Abner te Hebron begroeven, zo hief de koning zijn stem op, en weende bij Abners graf; ook weende al het volk.
  • In Naïn volgt een grote schare de enige zoon van een weduwe naar het grafLuc 7:12
    De verzen
    Luc 7:12En als Hij de poort der stad genaakte, zie daar, een dode werd uitgedragen, die een eniggeboren zoon zijner moeder was, en zij was weduwe en een grote schare van de stad was met haar.

Begrafenisstoeten

  • Farao’s oudsten, wagens en ruiters trekken op om Jakob te begravenGen 50:7–9
    De verzen
    Gen 50:7–9En Jozef toog op, om zijn vader te begraven; en met hem togen op alle Farao's knechten, de oudsten van zijn huis, en al de oudsten des lands van Egypte; Daartoe het ganse huis van Jozef, en zijn broeders, en het huis zijns vaders; alleen hun kleine kinderen, en hun schapen, en hun runderen lieten zij in het land Gosen. En met hem togen op, zo wagenen als ruiteren; en het was een zeer zwaar heir.
  • Izak en Ismaël begraven Abraham; Ezau en Jakob begraven IzakGen 25:9, Gen 35:29
    De verzen
    Gen 25:9En Izak en Ismael, zijn zonen, begroeven hem, in de spelonk van Machpela, in den akker van Efron, den zoon van Zohar, den Hethiet, welke tegenover Mamre is;
    Gen 35:29En Izak gaf den geest en stierf, en werd verzameld tot zijn volken, oud en zat van dagen; en zijn zonen Ezau en Jakob begroeven hem.
  • Heel Israël rouwt om Samuël en begraaft hem in zijn huis te Rama1 Sam 25:1, 1 Sam 28:3
    De verzen
    1 Sam 25:1En Samuel stierf; en gans Israel vergaderde zich, en zij bedreven rouw over hem, en begroeven hem in zijn huis te Rama. En David maakte zich op, en toog af naar de woestijn Paran.
    1 Sam 28:3Samuel nu was gestorven, en gans Israel had rouw over hem bedreven; en zij hadden hem begraven te Rama, te weten in zijn stad. En Saul had uit het land weggedaan de waarzeggers en duivelskunstenaars.
  • De mannen van Jabes lopen de hele nacht om het lijk van Saul te halen1 Sam 31:11–13
    De verzen
    1 Sam 31:11–13Als de inwoners van Jabes in Gilead daarvan hoorden, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden; Zo maakten zich op alle strijdbare mannen, en gingen den gehelen nacht, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen zijner zonen, van den muur te Beth-San; en zij kwamen te Jabes, en brandden ze aldaar. En zij namen hun beenderen, en begroeven ze onder het geboomte te Jabes; en zij vastten zeven dagen.
  • David brengt de beenderen van Saul en Jonathan naar het graf van Kis2 Sam 21:12–14
    De verzen
    2 Sam 21:12–14Zo ging David henen, en nam de beenderen van Saul, en de beenderen van Jonathan, zijn zoon, van de burgeren van Jabes in Gilead, die dezelve gestolen hadden van de straat Beth-San, alwaar de Filistijnen ze hadden opgehangen, ten dage als de Filistijnen Saul sloegen op Gilboa. En hij bracht van daar op de beenderen van Saul, en de beenderen van Jonathan, zijn zoon; ook verzamelden zij de beenderen der gehangenen. En zij begroeven de beenderen van Saul en zijn zoon Jonathan in het land van Benjamin te Zela, in het graf van zijn vader Kis, en deden alles, wat de koning geboden had. Alzo werd God na dezen den lande verbeden.
  • Godvrezende mannen begraven Stefanus en bedrijven grote rouw over hemHand 8:2
    De verzen
    Hand 8:2En enige godvruchtige mannen droegen Stefanus te zamen ten grave en maakten groten rouw over hem.

Wensen voor de begrafenis

  • Jakob vraagt bij zijn vaders begraven te worden, niet in EgypteGen 47:30, Gen 49:29–32
    De verzen
    Gen 47:30Maar dat ik bij mijn vaderen ligge; hierom zult gij mij uit Egypte voeren, en mij in hun graf begraven. En hij zeide: Ik zal doen naar uw woord!
    Gen 49:29–32Daarna gebood hij hun, en zeide tot hen: Ik word verzameld tot mijn volk: begraaft mij bij mijn vaders, in de spelonk, die is in den akker van Efron, den Hethiet; In de spelonk, welke is op den akker van Machpela, die tegenover Mamre is, in het land Kanaan, die Abraham met dien akker gekocht heeft van Efron, den Hethiet, tot een erfbegrafenis. Aldaar hebben zij Abraham begraven, en Sara, zijn huisvrouw; daar hebben zij Izak begraven, en Rebekka, zijn huisvrouw; en daar heb ik Lea begraven. De akker, en de spelonk, die daarin is, is gekocht van de zonen Heths.
  • Jozef laat Israël zweren zijn beenderen uit Egypte mee te nemenGen 50:25
    De verzen
    Gen 50:25En Jozef deed de zonen van Israel zweren, zeggende: God zal u gewisselijk bezoeken, zo zult gij mijn beenderen van hier opvoeren!
  • Barzillai wil sterven bij het graf van zijn vader en moeder2 Sam 19:37
    De verzen
    2 Sam 19:37Laat toch uw knecht wederkeren, dat ik sterve in mijn stad, bij het graf mijns vaders en mijner moeder; maar zie, daar is uw knecht Chimham, laat dien met mijn heer den koning overtrekken, en doe hem, wat goed is in uw ogen.
  • Een oude profeet vraagt naast de man Gods begraven te worden1 Kon 13:30–31
    De verzen
    1 Kon 13:30–31En hij leide zijn dood lichaam in zijn graf; en zij maakten over hem een weeklage: Ach, mijn broeder! Het geschiedde nu, nadat hij hem begraven had, dat hij sprak tot zijn zonen, zeggende: Als ik zal gestorven zijn, zo begraaft mij in dat graf, waarin de man Gods begraven is, en legt mijn beenderen bij zijn beenderen.

Graven en begraafplaatsen

  • Abraham koopt de spelonk van Machpela voor vierhonderd sikkels zilverGen 23:16–20
    De verzen
    Gen 23:16–20En Abraham luisterde naar Efron; en Abraham woog Efron het geld, waarvan hij gesproken had voor de oren van de zonen Heths, vierhonderd sikkelen zilvers, onder den koopman gangbaar. Alzo werd de akker van Efron, die in Machpela was, dat tegenover Mamre lag, de akker en de spelonk, die daarin was, en al het geboomte, dat op den akker stond, dat rondom in zijn ganse landpale was gevestigd, Aan Abraham tot een bezitting, voor de ogen van de zonen Heths, bij allen, die tot zijn stadspoort ingingen. En daarna begroef Abraham zijn huisvrouw Sara in de spelonk des akkers van Machpela, tegenover Mamre, hetwelk is Hebron, in het land Kanaan. Alzo werd die akker, en de spelonk die daarin was, aan Abraham gevestigd tot een erfbegrafenis van de zonen Heths.
  • Jakob richt op Rachels graf aan de weg naar Bethlehem een opgericht teken opGen 35:19–20
    De verzen
    Gen 35:19–20Alzo stierf Rachel; en zij werd begraven aan den weg naar Efrath, hetwelk is Bethlehem. En Jakob richtte een gedenkteken op boven haar graf, dit is het gedenkteken van Rachels graf tot op dezen dag.
  • Onder bomen begraven: Debora onder een eik, Saul onder een tamariskGen 35:8, 1 Sam 31:13
    De verzen
    Gen 35:8En Debora, de voedster van Rebekka, stierf, en zij werd begraven onder aan Beth-El; onder dien eik, welks naam hij noemde Allon-Bachuth.
    1 Sam 31:13En zij namen hun beenderen, en begroeven ze onder het geboomte te Jabes; en zij vastten zeven dagen.
  • De koningen van Juda werden begraven in de stad van David1 Kon 2:10, 2 Kron 32:33
    De verzen
    1 Kon 2:10En David ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad Davids.
    2 Kron 32:33En Jehizkia ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in het hoogste van de graven der zonen van David; daartoe deden gans Juda en de inwoners van Jeruzalem hem eer aan in zijn dood; en zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats.
  • De priester Jojada wordt bij de koningen begraven2 Kron 24:16
    De verzen
    2 Kron 24:16En zij begroeven hem in de stad Davids, bij de koningen; want hij had goed gedaan in Israel, beide aan God en zijn huize.
  • Joas en Joram worden begraven, maar niet in de graven der koningen2 Kron 24:25, 2 Kron 21:20
    De verzen
    2 Kron 24:25En toen zij van hem getogen waren (want zij lieten hem in grote krankheden), maakten zijn knechten, om het bloed der zonen van den priester Jojada, een verbintenis tegen hem, en zij sloegen hem dood op zijn bed, dat hij stierf; en zij begroeven hem in de stad Davids, maar zij begroeven hem niet in de graven der koningen.
    2 Kron 21:20Hij was twee en dertig jaren oud, als hij koning werd, en regeerde acht jaren te Jeruzalem; en hij ging henen zonder begeerd te zijn; en zij begroeven hem in de stad Davids, maar niet in de graven der koningen.
  • Uzzia, een melaatse, wordt begraven op een akker bij de koningsgraven2 Kron 26:23
    De verzen
    2 Kron 26:23En Uzzia ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in het veld van de begrafenis, die van de koningen was; want zij zeiden: hij is melaats; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.
  • Manasse en Amon worden begraven in de hof van Uzza2 Kon 21:18, 2 Kon 21:26
    De verzen
    2 Kon 21:18En Manasse ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in den hof van zijn huis, in den hof van Uzza; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.
    2 Kon 21:26En men begroef hem in zijn graf, in den hof van Uzza; en zijn zoon Josia werd koning in zijn plaats.
  • Joab wordt begraven in zijn huis in de woestijn1 Kon 2:34
    De verzen
    1 Kon 2:34En Benaja, de zoon van Jojada, ging op, en viel op hem aan, en doodde hem; en hij werd begraven in zijn huis, in de woestijn.
  • Josia ziet graven op een berghelling en een gedenkteken op een ervan2 Kon 23:16–17
    De verzen
    2 Kon 23:16–17En als Josia zich omkeerde, zag hij de graven, die daar op den berg waren, en zond henen, en nam de beenderen uit de graven, en verbrandde ze op dat altaar, en verontreinigde dat; naar het woord des HEEREN, dat de man Gods uitgeroepen had, die deze woorden uitriep. Verder zeide hij: Wat is dat voor een grafteken, dat ik zie? En de lieden der stad zeiden tot hem: Het is het graf van den man Gods, die uit Juda kwam, en deze dingen, die gij tegen dit altaar van Beth-El gedaan hebt, uitgeroepen heeft.
  • Jezus wordt in een nieuw graf gelegd, in een hof bij de plaats van de kruisigingJoh 19:41–42
    De verzen
    Joh 19:41–42En er was in de plaats, waar Hij gekruist was, een hof, en in den hof een nieuw graf, in hetwelk nog nooit iemand gelegd was geweest. Aldaar dan legden zij Jezus, om de voorbereiding der Joden, overmits het graf nabij was.
  • De vrouwen vragen zich af wie de grote steen van het graf zal afwentelenMarc 16:3–4
    De verzen
    Marc 16:3–4En zeiden tot elkander: Wie zal ons den steen van de deur des grafs afwentelen? (En opziende zagen zij, dat de steen afgewenteld was) want hij was zeer groot.
  • De akker des pottenbakkers wordt gekocht als begraafplaats voor vreemdelingenMatt 27:7
    De verzen
    Matt 27:7En te zamen raad gehouden hebbende, kochten zij daarmede den akker des pottenbakkers, tot een begrafenis voor de vreemdelingen.
  • Uria’s lijk wordt geworpen in de graven van de gewone mensenJer 26:23
    De verzen
    Jer 26:23Die voerden Uria uit Egypte, en brachten hem tot den koning Jojakim, en hij sloeg hem met het zwaard, en hij wierp zijn dood lichaam in de graven van de kinderen des volks.
  • Absalom wordt in een kuil geworpen onder een grote steenhoop2 Sam 18:17
    De verzen
    2 Sam 18:17En zij namen Absalom, en wierpen hem in het woud, in een groten kuil, en stelden op hem een zeer groten steenhoop; en gans Israel vluchtte, een iegelijk naar zijn tent.
  • Niemand weet waar het graf van Mozes isDeut 34:6
    De verzen
    Deut 34:6En Hij begroef hem in een dal, in het land van Moab, tegenover Beth-Peor; en niemand heeft zijn graf geweten, tot op dezen dag.
  • Een bezetene woont tussen de gravenMarc 5:3, Luc 8:27, Matt 8:28
    De verzen
    Marc 5:3Dewelke zijn woning in de graven had, en niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen.
    Luc 8:27En als Hij aan het land uitgegaan was, ontmoette Hem een zeker man uit de stad, die van over langen tijd met duivelen was bezeten geweest; en was met geen klederen gekleed, en bleef in geen huis, maar in de graven.
    Matt 8:28En als Hij over aan de andere zijde was gekomen in het land der Gergesenen, zijn Hem twee, van den duivel bezeten, ontmoet, komende uit de graven, die zeer wreed waren, alzo dat niemand door dien weg kon voorbij gaan.

Bronnen

Naar Nave’s Topical Bible (Orville J. Nave, 1896; publiek domein): onderwerpen gekozen, regels ingekort en in hedendaagse taal gezet, zonder uitleg; elk vers gecontroleerd.

De Heilige Schrift 1917 · Publiek domein