Bible Explorer

Ontdekken › Onderwerpen › Bedrog en vermommingen

Verrassende details

Bedrog en vermommingen in de Bijbel

Gedeelten van De Heilige Schrift 1917 (45), regel voor regel, uit Nave’s Topical Bible.

In Genesis

  • De slang zegt tot de vrouw: “Gijlieden zult den dood niet sterven”Gen 3:4
    De verzen
    Gen 3:4Toen zeide de slang tot de vrouw: Gijlieden zult den dood niet sterven;
  • Abram vraagt Sarai te zeggen dat zij zijn zuster isGen 12:13
    De verzen
    Gen 12:13Zeg toch: Gij zijt mijn zuster; opdat het mij wel ga om u, en mijn ziel om uwentwil leve.
  • In Gerar zegt Abraham opnieuw over Sara: “Zij is mijn zuster”Gen 20:2
    De verzen
    Gen 20:2Als nu Abraham van Sara, zijn huisvrouw, gezegd had: Zij is mijn zuster, zo zond Abimelech, de koning van Gerar, en nam Sara weg.
  • Izak zegt dat Rebekka zijn zuster is, uit angst dat de mannen hem zullen dodenGen 26:7
    De verzen
    Gen 26:7En als de mannen van die plaats hem vraagden van zijn huisvrouw, zeide hij: Zij is mijn zuster; want hij vreesde te zeggen, mijn huisvrouw; opdat mij misschien, zeide hij, de mannen dezer plaats niet doden, om Rebekka; want zij was schoon van aangezicht.
  • Rebekka trekt Jakob Ezaus klederen aan en doet hem geitenvellen omGen 27:15–16
    De verzen
    Gen 27:15–16Daarna nam Rebekka de kostelijke klederen van Ezau, haar grootsten zoon, die zij bij zich in huis had, en zij trok ze Jakob, haar kleinsten zoon, aan. En de vellen van de geitenbokjes trok zij over zijn handen, en over de gladdigheid van zijn hals.
  • Jakob zegt tegen zijn vader, die niet kan zien: “Ik ben Ezau, uw eerstgeborene”Gen 27:1, Gen 27:19
    De verzen
    Gen 27:1En het geschiedde, als Izak oud geworden was, en zijn ogen donker geworden waren, en hij niet zien kon; toen riep hij Ezau, zijn grootsten zoon, en zeide tot hem: Mijn zoon! En hij zeide tot hem: Zie, hier ben ik!
    Gen 27:19En Jakob zeide tot zijn vader: Ik ben Ezau uw eerstgeborene; ik heb gedaan, gelijk als gij tot mij gesproken hadt; sta toch op, zit, en eet van mijn wildbraad, opdat uw ziel mij zegene.
  • Laban geeft Lea in plaats van Rachel; Jakob: “Waarom hebt gij mij bedrogen?”Gen 29:23, Gen 29:25
    De verzen
    Gen 29:23En het geschiedde des avonds, dat hij zijn dochter Lea nam, en bracht haar tot hem; en hij ging tot haar in.
    Gen 29:25En het geschiedde des morgens, en ziet, het was Lea. Daarom zeide hij tot Laban: Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt; heb ik niet bij u gediend om Rachel? waarom hebt gij mij dan bedrogen?
  • Jakob sluipt weg van Laban zonder het hem te zeggenGen 31:20
    De verzen
    Gen 31:20En Jakob ontstal zich aan het hart van Laban, den Syrier, overmits hij hem niet te kennen gaf, dat hij vlood.
  • Rachel verbergt Labans terafim in het zadel van de kameel en gaat erop zittenGen 31:34–35
    De verzen
    Gen 31:34–35Maar Rachel had de terafim genomen, en zij had die in een kemels zadeltuig gelegd, en zij zat op dezelve. En Laban betastte die ganse tent, en hij vond niets. En zij zeide tot haar vader: Dat de toorn niet ontsteke in mijns heren ogen, omdat ik voor uw aangezicht niet kan opstaan; want het gaat mij naar der vrouwen wijze; en hij doorzocht; maar hij vond de terafim niet.
  • Jakobs zonen laten de mannen van Sichem zich besnijden en overvallen dan de stadGen 34:13, Gen 34:15, Gen 34:25
    De verzen
    Gen 34:13Toen antwoordden Jakobs zonen aan Sichem en Hemor, zijn vader, bedriegelijk, en spraken (overmits dat hij Dina, hun zuster, verontreinigd had);
    Gen 34:15Doch hierin zullen wij u te wille zijn, zo gij wordt gelijk als wij, dat onder u besneden worde al wat mannelijk is.
    Gen 34:25En het geschiedde ten derden dage, toen zij in de smart waren, zo namen de twee zonen van Jakob, Simeon en Levi, broeders van Dina, een iegelijk zijn zwaard, en kwamen stoutelijk in de stad, en doodden al wat mannelijk was.
  • De broers dopen Jozefs rok in bokkenbloed en tonen hem aan JakobGen 37:31–33
    De verzen
    Gen 37:31–33Toen namen zij Jozefs rok, en zij slachtten een geitenbok, en zij doopten den rok in het bloed. En zij zonden den veelvervigen rok, en deden hem tot hun vader brengen, en zeiden: Dezen hebben wij gevonden; beken toch, of deze uws zoons rok zij, of niet. En hij bekende hem, en zeide: Het is mijns zoons rok! een boos dier heeft hem opgegeten! voorzeker is Jozef verscheurd!
  • Thamar bedekt zich met een sluier, en Juda houdt haar voor een hoerGen 38:14–15
    De verzen
    Gen 38:14–15Toen leide zij de klederen van haar weduwschap van zich af, en zij bedekte zich met een sluier, en bewond zich, en zette zich aan den ingang der twee fonteinen, die op den weg naar Timna is; want zij zag, dat Sela groot geworden was, en zij hem niet ter vrouw was gegeven. Als Juda haar zag, zo hield hij haar voor een hoer, overmits zij haar aangezicht bedekt had.
  • Jozef laat zijn zilveren beker in Benjamins zak verbergenGen 44:1–2
    De verzen
    Gen 44:1–2En hij gebood dengene, die over zijn huis was, zeggende: Vul de zakken dezer mannen met spijze, naar dat zij zullen kunnen dragen, en leg ieders mans geld in den mond van zijn zak; En mijn beker, den zilveren beker, zult gij leggen in den mond van den zak des kleinsten, met het geld van zijn koren. En hij deed naar Jozefs woord, hetwelk hij gesproken had.

Richters en koningen

  • De Gibeonieten brengen oude zakken en beschimmeld brood en beweren van ver te komenJoz 9:4–6
    De verzen
    Joz 9:4–6Zo handelden zij ook arglistiglijk, en gingen heen, en veinsden zich gezanten te zijn, en zij namen oude zakken op hun ezels, en oude en gescheurde, en samengebonden lederen wijnzakken; Ook oude en bevlekte schoenen aan hun voeten, en zij hadden oude klederen aan, en al het brood, dat zij op hun reize hadden, was droog en beschimmeld. En zij gingen tot Jozua in het leger te Gilgal, en zij zeiden tot hem en tot de mannen van Israel: Wij zijn gekomen uit een ver land, zo maakt nu een verbond met ons.
  • Drie dagen na het verbond hoorde Israël dat zij buren warenJoz 9:16
    De verzen
    Joz 9:16En het geschiedde ten einde van drie dagen, nadat zij het verbond met hen gemaakt hadden, zo hoorden zij, dat zij hun naburen waren, en dat zij in het midden van hen waren wonende.
  • Jaël nodigt Sisera binnen, geeft hem melk en doodt hem in zijn slaapRecht 4:18–21
    De verzen
    Recht 4:18–21Jael nu ging uit, Sisera tegemoet, en zeide tot hem: Wijk in, mijn heer, wijk in tot mij, vrees niet! En hij week tot haar in de tent, en zij bedekte hem met een deken. Daarna zeide hij tot haar: Geef mij toch een weinig waters te drinken, want mij dorst. Toen opende zij een melkfles, en gaf hem te drinken, en dekte hem toe. Ook zeide hij tot haar: Sta in de deur der tent; en het zij, zo iemand zal komen, en u vragen, en zeggen: Is hier iemand? dat gij zegt: Niemand. Daarna nam Jael, de huisvrouw van Heber, een nagel der tent, en greep een hamer in haar hand, en ging stilletjes tot hem in, en dreef den nagel in den slaap zijns hoofds, dat hij in de aarde vast werd; hij nu was met een diepen slaap bevangen en vermoeid, en stierf.
  • Michal legt een beeld met een geitenvel in Davids bed: “Hij is ziek”1 Sam 19:13–16
    De verzen
    1 Sam 19:13–16En Michal nam een beeld, en zij leide het in het bed, en zij leide een geitenvel aan zijn hoofdpeluw, en dekte het met een kleed toe. Saul nu zond boden, om David te halen. Zij dan zeide: Hij is ziek. Toen zond Saul boden, om David te bezien, zeggende: Breng hem op het bed tot mij op, dat men hem dode. Als de boden kwamen, zo ziet, er was een beeld in het bed, en er was een geitenvel aan zijn hoofdpeluw.
  • David zegt tegen de priester in Nob dat hij in geheime opdracht van de koning is1 Sam 21:1–2
    De verzen
    1 Sam 21:1–2Toen kwam David te Nob, tot den priester Achimelech; en Achimelech kwam bevende David tegemoet, en hij zeide tot hem: Waarom zijt gij alleen, en geen man met u? En David zeide tot den priester Achimelech: De koning heeft mij een zaak bevolen, en zeide tot mij: Laat niemand iets van de zaak weten, om dewelke ik u gezonden heb, en die ik u geboden heb; den jongelingen nu heb ik de plaats van zulk een te kennen te kennen gegeven.
  • David valt de Gesurieten aan, maar zegt Achis dat hij het zuiden van Juda overviel1 Sam 27:8, 1 Sam 27:10
    De verzen
    1 Sam 27:8David nu toog op met zijn mannen, en zij overvielen de Gesurieten, en de Girzieten, en de Amalekieten (want deze zijn vanouds geweest de inwoners des lands), dat gij gaat naar Sur, en tot aan Egypteland.
    1 Sam 27:10Als Achis zeide: Waar zijt gijlieden heden ingevallen? zo zeide David: Tegen het zuiden van Juda, en tegen het zuiden der Jerahmeelieten, en tegen het zuiden der Kenieten.
  • Amnon houdt zich ziek, zodat Thamar bij hem komt2 Sam 13:6
    De verzen
    2 Sam 13:6Amnon dan leide zich, en maakte zich krank. Toen nu de koning kwam om hem te zien, zeide Amnon tot den koning: Dat toch mijn zuster Thamar kome, dat zij twee koekjes voor mijn ogen toemake, en ik van haar hand ete.
  • Joab laat een wijze vrouw uit Thekoa komen om zich als rouwdraagster voor te doen2 Sam 14:2–3
    De verzen
    2 Sam 14:2–3Zo zond Joab heen naar Thekoa, en nam van daar een wijze vrouw; en hij zeide tot haar: Stel u toch, alsof gij rouw droegt, en trek nu rouwklederen aan, en zalf u niet met olie, en wees als een vrouw, die nu vele dagen rouw gedragen heeft over een dode; En ga in tot den koning, en spreek tot hem naar dit woord. En Joab leide de woorden in haar mond.
  • Absalom vraagt naar Hebron te gaan voor een gelofte, en begint daar een opstand2 Sam 15:7, 2 Sam 15:10
    De verzen
    2 Sam 15:7Ten einde nu van veertig jaren is het geschied, dat Absalom tot den koning zeide: Laat mij toch heengaan, en mijn gelofte, die ik den HEERE beloofd heb, te Hebron betalen.
    2 Sam 15:10Absalom nu had verspieders uitgezonden in alle stammen van Israel, om te zeggen: Als gij het geluid der bazuin zult horen, zo zult gij zeggen: Absalom is koning te Hebron.
  • Husai, Davids vriend, begroet Absalom: “De koning leve!”2 Sam 16:16
    De verzen
    2 Sam 16:16En het geschiedde, als Husai, de Archiet, Davids vriend, tot Absalom kwam, dat Husai tot Absalom zeide: De koning leve, de koning leve!
  • Absalom verkiest de raad van Husai boven die van Achitofel2 Sam 17:14
    De verzen
    2 Sam 17:14Toen zeide Absalom, en alle man van Israel: De raad van Husai, den Archiet, is beter dan Achitofels raad. Doch de HEERE had het geboden, om den goeden raad van Achitofel te vernietigen, opdat de HEERE het kwaad over Absalom bracht.
  • Een oude profeet liegt om de man Gods naar zijn huis terug te halen1 Kon 13:18
    De verzen
    1 Kon 13:18En hij zeide tot hem: Ik ben ook een profeet, gelijk gij, en een engel heeft tot mij gesproken door het woord des HEEREN, zeggende: Breng hem weder met u in uw huis, dat hij brood ete en water drinke. Doch hij loog hem.
  • Jerobeams vrouw gaat verkleed; Ahia, die niet kan zien, groet haar bij naam1 Kon 14:2, 1 Kon 14:4, 1 Kon 14:6
    De verzen
    1 Kon 14:2En Jerobeam zeide tot zijn huisvrouw: Maak u nu op, en verstel u, dat men niet merkte, dat gij Jerobeams huisvrouw zijt, en ga heen naar Silo, zie, daar is de profeet Ahia, die van mij gesproken heeft, dat ik koning zou zijn over dit volk.
    1 Kon 14:4En Jerobeams huisvrouw deed alzo, en maakte zich op, en ging naar Silo, en kwam in het huis van Ahia. Ahia nu kon niet zien, want zijn ogen stonden stijf vanwege zijn ouderdom.
    1 Kon 14:6En het geschiedde, als Ahia het geruis harer voeten hoorde, toen zij ter deure inkwam, dat hij zeide: Kom in, gij huisvrouw van Jerobeam! Waarom stelt gij u dus vreemd aan? Want ik ben tot u gezonden met een harde boodschap.
  • Gehazi verzint een boodschap van Elisa om van Naäman zilver te krijgen2 Kon 5:22, 2 Kon 5:25
    De verzen
    2 Kon 5:22En hij zeide: Het is wel; mijn heer heeft mij gezonden, om te zeggen: Zie, nu straks zijn tot mij twee jongelingen uit de zonen der profeten, van het gebergte van Efraim gekomen; geef hun toch een talent zilvers en twee wisselklederen.
    2 Kon 5:25Daarna kwam hij in, en stond voor zijn heer. En Elisa zeide tot hem: Van waar, Gehazi? En hij zeide: Uw knecht is noch herwaarts noch derwaarts gegaan.
  • Jehu kondigt een groot offer voor Baäl aan om zijn dienaars te verzamelen2 Kon 10:19
    De verzen
    2 Kon 10:19Nu daarom roept alle profeten van Baal, al zijn dienaren, en al zijn priesteren tot mij, dat niemand gemist worde; want ik heb een grote offerande aan Baal; al wie gemist wordt, zal niet leven. Doch Jehu deed dat door listigheid, opdat hij de dienaren van Baal ombracht.
  • Sanballat nodigt Nehemia uit in de vallei van Ono, met de bedoeling hem kwaad te doenNeh 6:2
    De verzen
    Neh 6:2Zo zond Sanballat, en Gesem, tot mij, om te zeggen: Kom en laat ons te zamen vergaderen in de dorpen, in het dal Ono. Maar zij dachten mij kwaad te doen.
  • Een gehuurde man spoort Nehemia aan zich in de tempel te verbergenNeh 6:10, Neh 6:12
    De verzen
    Neh 6:10Als ik nu kwam in het huis van Semaja, den zoon van Delaja, den zoon van Mehetabeel (hij nu was besloten), zo zeide hij: Laat ons samenkomen in het huis Gods, in het midden des tempels, en laat ons de deuren des tempels toesluiten; want zij zullen komen om u te doden, ja, bij nacht zullen zij komen, om u te doden.
    Neh 6:12Want ik merkte, en ziet, God had hem niet gezonden; maar hij sprak deze profetie tegen mij, omdat Tobia en Sanballat hem gehuurd hadden.

In het Nieuwe Testament

  • Herodes zegt tegen de wijzen dat ook hij het Kindeken wil komen aanbiddenMatt 2:8
    De verzen
    Matt 2:8En hen naar Bethlehem zendende, zeide: Reist heen, en onderzoekt naarstiglijk naar dat Kindeken, en als gij Het zult gevonden hebben, boodschapt het mij, opdat ik ook kome en Datzelve aanbidde.
  • De overpriesters zoeken hoe zij Jezus met listigheid kunnen vangenMarc 14:1
    De verzen
    Marc 14:1En het pascha, en het feest der ongehevelde broden was na twee dagen. En de overpriesters en de Schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem met listigheid vangen en doden zouden.
  • Soldaten worden betaald om te zeggen dat de discipelen het lichaam gestolen hebbenMatt 28:12–13
    De verzen
    Matt 28:12–13En zij vergaderd zijnde met de ouderlingen, en te zamen raad genomen hebbende, gaven zij den krijgsknechten veel gelds, En zeiden: Zegt: Zijn discipelen zijn des nachts gekomen, en hebben Hem gestolen, als wij sliepen.
  • Ananias en Saffira houden een deel van de prijs van hun akker achterHand 5:1–2, Hand 5:8
    De verzen
    Hand 5:1–2En een zeker man, met name Ananias, met Saffira, zijn vrouw, verkocht een have; En onttrok van den prijs, ook met medeweten zijner vrouw; en bracht een zeker deel, en legde dat aan de voeten der apostelen.
    Hand 5:8En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt gijlieden het land voor zoveel verkocht? En zij zeide: Ja, voor zoveel.

Bronnen

Naar Nave’s Topical Bible (Orville J. Nave, 1896; publiek domein): onderwerpen gekozen, regels ingekort en in hedendaagse taal gezet, zonder uitleg; elk vers gecontroleerd.

De Heilige Schrift 1917 · Publiek domein