Bible Explorer

Ontdekken › Onderwerpen › Kamelen

Verrassende details

Kamelen in de Bijbel

Gedeelten van De Heilige Schrift 1917 (26), regel voor regel, uit Nave’s Topical Bible.

  • De kameel mocht niet gegeten wordenLev 11:4
    De verzen
    Lev 11:4Deze nochtans zult gij niet eten, van degenen, die alleen herkauwen, of de klauwen alleen verdelen: den kemel, want hij herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; die zal u onrein zijn;
  • Abram, Jakob en Job rekenden kamelen tot hun rijkdomGen 12:16, Gen 30:43, Job 1:3
    De verzen
    Gen 12:16En hij deed Abram goed, om harentwil; zodat hij had schapen, en runderen, en ezelen, en knechten, en maagden, en ezelinnen, en kemelen.
    Gen 30:43En die man brak gans zeer uit in menigte, en hij had vele kudden, en dienstmaagden, en dienstknechten, en kemelen, en ezelen.
    Job 1:3Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kemelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten.
  • Job bezat 3.000 kamelen, later 6.000Job 1:3, Job 42:12
    De verzen
    Job 1:3Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kemelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten.
    Job 42:12En de HEERE zegende Jobs laatste meer dan zijn eerste; want hij had veertien duizend schapen, en zes duizend kemelen, en duizend juk runderen, en duizend ezelinnen.
  • Obil de Ismaëliet was over Davids kamelen gesteld1 Kron 27:30
    De verzen
    1 Kron 27:30En over de kemelen was Obil, de Ismaeliet; en over de ezelinnen was Jechdeja, de Meronothiet.

In de verhalen

  • Abrahams knecht nam tien kamelen mee om een vrouw voor Izak te vindenGen 24:10
    De verzen
    Gen 24:10En die knecht nam tien kemelen van zijns heren kemelen, en toog heen; en al het goed zijns heren was in zijn hand; en hij maakte zich op, en toog heen naar Mesopotamie, naar de stad van Nahor.
  • ’s Avonds liet hij de kamelen bij de put neerknielenGen 24:11
    De verzen
    Gen 24:11En hij deed de kemelen nederknielen buiten de stad, bij een waterput, des avondtijds, ten tijde, als de putsters uitkwamen.
  • Rebekka putte water voor al zijn kamelenGen 24:14, Gen 24:19–20
    De verzen
    Gen 24:14Zo geschiede, dat die jonge dochter, tot welke ik zal zeggen: Neig toch uw kruik, dat ik drinke; en zij zal zeggen: Drink, en ik zal ook uw kemelen drenken; diezelve zij, die Gij Uw knecht Izak toegewezen hebt, en dat ik daaraan bekenne, dat Gij weldadigheid bij mijn heer gedaan hebt.
    Gen 24:19–20Als zij nu voleindigd had van hem drinken te geven, zeide zij: Ik zal ook voor uw kemelen putten, totdat zij voleindigd hebben te drinken. En zij haastte zich, en goot haar kruik uit in de drinkbak, en liep weder naar den put om te putten, en zij putte voor al zijn kemelen.
  • Rebekka reed op een kameel Izak tegemoetGen 24:61, Gen 24:64
    De verzen
    Gen 24:61En Rebekka maakte zich op met haar jonge dochteren, en zij reden op kemelen, en volgden den man; en die knecht nam Rebekka, en toog heen.
    Gen 24:64Rebekka hief ook haar ogen op, en zij zag Izak; en zij viel van den kemel af.
  • Rachel verborg Labans afgoden in het kameelzadel en ging erop zittenGen 31:34
    De verzen
    Gen 31:34Maar Rachel had de terafim genomen, en zij had die in een kemels zadeltuig gelegd, en zij zat op dezelve. En Laban betastte die ganse tent, en hij vond niets.
  • Jakobs geschenk aan Esau omvatte 30 zogende kemelinnen met hun veulensGen 32:15
    De verzen
    Gen 32:15Dertig zogende kemelinnen met haar veulens, veertig koeien en tien varren, twintig ezelinnen en tien jonge ezels.
  • Kamelen van Ismaëlieten droegen specerijen naar EgypteGen 37:25
    De verzen
    Gen 37:25Daarna zaten zij neder om brood te eten, en hieven hun ogen op, en zagen, en ziet, een reisgezelschap van Ismaelieten kwam uit Gilead; en hun kemelen droegen specerijen en balsem, en mirre, reizende, om dat af te brengen naar Egypte.
  • De kamelen van de Midianieten waren ontelbaar als het zandRecht 7:12
    De verzen
    Recht 7:12En de Midianieten, en Amalekieten, en al de kinderen van het oosten, lagen in het dal, gelijk sprinkhanen in menigte, en hun kemelen waren ontelbaar, gelijk het zand, dat aan den oever der zee is, in menigte.
  • Gideon nam de maantjes van de halzen van de kamelen der koningenRecht 8:21
    De verzen
    Recht 8:21Toen zeiden Zebah en Tsalmuna: Sta gij op, en val op ons aan, want naar dat de man is, zo is zijn macht. Zo stond Gideon op, en doodde Zebah en Tsalmuna, en nam de maantjes, die aan de halzen hunner kemelen waren.
  • Vierhonderd Amalekieten ontkwamen David op kamelen1 Sam 30:17
    De verzen
    1 Sam 30:17En David sloeg hen van de schemering tot aan den avond van hunlieder anderen dag; en er ontkwam niet een man van hen, behalve vierhonderd jonge mannen, die op kemelen reden en vloden.
  • De koningin van Scheba kwam met kamelen beladen met specerijen en goud1 Kon 10:2
    De verzen
    1 Kon 10:2En zij kwam te Jeruzalem, met een zeer zwaar heir, met kemelen, dragende specerijen, en zeer veel gouds, en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Salomo, en sprak tot hem al wat in haar hart was.
  • Hazaël bracht Eliza geschenken, een last van veertig kamelen2 Kon 8:9
    De verzen
    2 Kon 8:9Zo ging Hazael hem tegemoet, en nam een geschenk in zijn hand, te weten, alle goed van Damaskus, een last van veertig kemelen; en hij kwam, en stond voor zijn aangezicht, en zeide: Uw zoon Benhadad, de koning van Syrie, heeft mij tot u gezonden, om te zeggen: Zal ik van deze krankheid genezen?
  • Chaldeeuwse rovers namen Jobs kamelenJob 1:17
    De verzen
    Job 1:17Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: De Chaldeen stelden drie hopen, en vielen op de kemelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
  • Johannes droeg een kleed van kameelhaarMatt 3:4, Marc 1:6
    De verzen
    Matt 3:4En dezelve Johannes had zijn kleding van kemelshaar, en een lederen gordel om zijn lenden; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honig.
    Marc 1:6En Johannes was gekleed met kemelshaar, en met een lederen gordel om zijn lenden, en at sprinkhanen en wilde honig.

Woorden van Jezus

  • Gemakkelijker gaat een kameel door het oog van een naaldMatt 19:24
    De verzen
    Matt 19:24En wederom zeg Ik u: Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke inga in het Koninkrijk Gods.
  • Gij zift de mug uit en zwelgt de kameel doorMatt 23:24
    De verzen
    Matt 23:24Gij blinde leidslieden, die de mug uitzijgt, en den kemel doorzwelgt.

Bronnen

Naar Nave’s Topical Bible (Orville J. Nave, 1896; publiek domein): onderwerpen gekozen, regels ingekort en in hedendaagse taal gezet, zonder uitleg; elk vers gecontroleerd.

De Heilige Schrift 1917 · Publiek domein