Ontdekken › Onderwerpen › Putten
Verrassende details
Putten in de Bijbel
Gedeelten van De Heilige Schrift 1917 (20), regel voor regel, uit Nave’s Topical Bible.
- Hagar zag een waterput en gaf de jongen te drinkenGen 21:19
De verzen
Gen 21:19En God opende haar ogen, dat zij een waterput zag; en zij ging, en vulde de fles met water, en gaf den jongen te drinken.
- Abraham gaf zeven lammeren als getuigenis dat hij de put te Ber-seba gegraven hadGen 21:25–31
De verzen
Gen 21:25–31En Abraham berispte Abimelech ter oorzake van een waterput, die Abimelechs knechten met geweld genomen hadden. Toen zeide Abimelech: Ik heb niet geweten, wie dit stuk gedaan heeft; en ook hebt gij het mij niet aangezegd, en ik heb er ook niet van gehoord, dan heden. En Abraham nam schapen en runderen, en gaf die aan Abimelech; en die beiden maakten een verbond. Doch Abraham stelde zeven ooilammeren der kudde bijzonder. Zo zeide Abimelech tot Abraham: Wat zullen hier deze zeven ooilammeren, die gij bijzonder gesteld hebt? En hij zeide: Dat gij de zeven ooilammeren van mijn hand nemen zult, opdat het mij tot een getuigenis zij, dat ik dezen put gegraven heb. Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden.
- De Filistijnen stopten Abrahams putten dicht; Izak groef ze weer openGen 26:15, Gen 26:18
De verzen
Gen 26:15En al de putten, die de knechten van zijn vader, in de dagen van zijn vader Abraham, gegraven hadden, die stopten de Filistijnen, en vulden dezelve met aarde.
Gen 26:18Als nu Izak wedergekeerd was, groef hij die waterputten op, die zij ten tijde van Abraham, zijn vader, gegraven, en die de Filistijnen na Abrahams dood toegestopt hadden; en hij noemde derzelver namen naar de namen, waarmede zijn vader die genoemd had.
- Twist om putten: Esek, Sitna, daarna RehobothGen 26:20–22
De verzen
Gen 26:20–22En de herders van Gerar twistten met Izaks herders, zeggende: Dit water hoort ons toe! Daarom noemde hij den naam van dien put Esek, omdat zij met hem gekeven hadden. Toen groeven zij een anderen put, en daar twistten zij ook over; daarom noemde hij deszelfs naam Sitna. En hij brak op van daar, en groef een anderen put, en zij twistten over dien niet; daarom noemde hij deszelfs naam Rehoboth, en zeide: Want nu heeft ons de HEERE ruimte gemaakt, en wij zijn gewassen in dit land.
- Izaks knechten vonden water: Seba, Ber-sebaGen 26:32–33
De verzen
Gen 26:32–33En het geschiedde ten zelfden dage, dat Izaks knechten kwamen, en boodschapten hem van de zaak des puts, dien zij gegraven hadden, en zij zeiden hem: Wij hebben water gevonden. En hij noemde denzelven Seba; daarom is de naam dier stad Ber-seba, tot op dezen dag.
- De put die Lachai-Roi genoemd werdGen 16:14
De verzen
Gen 16:14Daarom noemde men dien put, den put Lachai-Roi; ziet, hij is tussen Kades en tussen Bered.
- Rebekka kwam met haar kruik naar de bronGen 24:16
De verzen
Gen 24:16En die jonge dochter was zeer schoon van aangezicht, een maagd, en geen man had haar bekend; en zij ging af naar de fontein, en vulde haar kruik, en ging op.
- Een grote steen lag op de opening van de put bij HaranGen 29:2–3
De verzen
Gen 29:2–3En hij zag toe, en ziet, er was een put in het veld; en ziet, er waren drie kudden schapen nevens dien nederliggende; want uit dien put drenkten zij de kudden; en er was een grote steen op den mond van dien put. En derwaarts werden al de kudden verzameld, en zij wentelden den steen van den mond des puts, en drenkten de schapen, en legden den steen weder op den mond van dien put, op zijn plaats.
- Jakob wentelde de steen weg en drenkte Rachels schapenGen 29:10
De verzen
Gen 29:10En het geschiedde, als Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, zijner moeders broeder, en de schapen van Laban, zijner moeders broeder, dat Jakob toetrad, en wentelde den steen van den mond des puts, en drenkte de schapen van Laban, zijner moeders broeder.
- Mozes zat in Midian bij een put en hielp zeven zustersEx 2:15–17
De verzen
Ex 2:15–17Als nu Farao deze zaak hoorde, zo zocht hij Mozes te doden; doch Mozes vlood voor Farao's aangezicht, en woonde in het land Midian, en hij zat bij een waterput. En de priester in Midian had zeven dochters, die kwamen om te putten, en vulden de drinkbakken, om de kudde haars vaders te drenken. Toen kwamen de herders, en zij dreven haar van daar; doch Mozes stond op, en verloste ze, en drenkte haar kudden.
- Israël zong voor een put: “Spring op, gij put!”Num 21:16–18
De verzen
Num 21:16–18En van daar reisden zij naar Beer. Dit is de put, van welken de HEERE tot Mozes zeide: Verzamel het volk, zo zal Ik hun water geven. (Toen zong Israel dit lied: Spring op, gij put, zingt daarvan bij beurte! Gij put, dien de vorsten gegraven hebben, dien de edelen des volks gedolven hebben, door den wetgever, met hun staven.) En van de woestijn reisden zij naar Mattana;
- Het beloofde land had putten die zij niet gegraven haddenDeut 6:11
De verzen
Deut 6:11En huizen, vol van alle goeds, die gij niet gevuld hebt, en uitgehouwen bornputten, die gij niet uitgehouwen hebt, wijngaarden en olijfgaarden, die gij niet geplant hebt, en gij gegeten hebt en verzadigd zijt;
- Davids verspieders verborgen zich in een put te Bahurim2 Sam 17:18–19
De verzen
2 Sam 17:18–19Een jongen dan nog zag hen, en zeide het Absalom aan; doch die beiden gingen haastelijk, en kwamen in eens mans huis te Bahurim, dewelke een put had in zijn voorhof, en zij daalden daarin. En de vrouw nam en spreidde een deksel over het opene van den put, en strooide gort daarop. Alzo werd de zaak niet bekend.
- Drie helden haalden voor David water uit de put van Bethlehem2 Sam 23:15–16
De verzen
2 Sam 23:15–16En David kreeg lust, en zeide: Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput, die in de poort is? Toen braken die drie helden door het leger der Filistijnen, en putten water uit Bethlehems bornput, die in de poort is, en droegen het, en kwamen tot David; doch hij wilde dat niet drinken, maar goot het uit voor den HEERE.
- Uzzia groef veel putten voor zijn vee2 Kron 26:10
De verzen
2 Kron 26:10Hij bouwde ook torens in de woestijn, en hieuw vele putten uit, overmits hij veel vee had, beide in de laagten en in de effene velden; akkerlieden en wijngaardeniers op de bergen en op de vruchtbare velden; want hij was een liefhebber van den land bouw.
- Jozef werd in een lege kuil zonder water geworpenGen 37:24
De verzen
Gen 37:24En zij namen hem, en wierpen hem in den kuil; doch de kuil was ledig; er was geen water in.
- Jeremia zonk weg in het slijk van een droge kuilJer 38:6
De verzen
Jer 38:6Toen namen zij Jeremia en wierpen hem in den kuil van Malchia, den zoon van Hammelech, die in het voorhof der bewaring was, en zij lieten Jeremia af met zelen; in den kuil nu was geen water, maar slijk; en Jeremia zonk in het slijk.
- Jezus zat omtrent het zesde uur bij de bron van JakobJoh 4:6
De verzen
Joh 4:6En aldaar was de fontein Jakobs. Jezus dan, vermoeid zijnde van de reize, zat alzo neder nevens de fontein. Het was omtrent de zesde ure.
- De vrouw: Gij hebt niets om mee te putten, en de put is diepJoh 4:11
De verzen
Joh 4:11De vrouw zeide tot Hem: Heere! Gij hebt niet om mede te putten, en de put is diep; van waar hebt Gij dan het levend water?
Bronnen
Naar Nave’s Topical Bible (Orville J. Nave, 1896; publiek domein): onderwerpen gekozen, regels ingekort en in hedendaagse taal gezet, zonder uitleg; elk vers gecontroleerd.
De Heilige Schrift 1917 · Publiek domein