Ontdekken › Onderwerpen › Paarden
Natuur
Paarden in de Bijbel
Gedeelten van De Heilige Schrift 1917 (37), regel voor regel, uit Nave’s Topical Bible.
- Job: het paard graaft in het dal, is blij met zijn kracht en stormt ten strijdeJob 39:19–21
De verzen
Job 39:19–21Zult gij het paard sterkte geven? Kunt gij zijn hals met donder bekleden? Zult gij het beroeren als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is een verschrikking. Het graaft in den grond, en het is vrolijk in zijn kracht; en trekt uit, den geharnaste tegemoet.
- Het lacht om de vrees en keert niet terug voor het zwaardJob 39:22–23
De verzen
Job 39:22–23Het belacht de vreze, en wordt niet ontsteld, en keert niet wederom vanwege het zwaard. Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer des spies en der lans.
- Bij het geluid van de bazuin staat het niet stil; het ruikt de strijdJob 39:24–25
De verzen
Job 39:24–25Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid der bazuin. In het volle geklank der bazuin, zegt het: Heah! en ruikt den krijg van verre, den donder der vorsten en het gejuich.
- Het snuiven en hinniken van de strijdpaarden hoorde men van verreJer 8:16
De verzen
Jer 8:16Van Dan af wordt het gesnuif zijner paarden gehoord; het ganse land beeft van het geluid der briesingen zijner sterken; en zij komen daarhenen, dat zij het land opeten en diens volheid, de stad en die daarin wonen.
- Met een gebit in de mond stuurt de ruiter het hele dierJak 3:3
De verzen
Jak 3:3Ziet, wij leggen den paarden tomen in de monden, opdat zij ons zouden gehoorzamen, en wij leiden daarmede hun gehele lichaam om;
- Paard en muilezel moeten met toom en gebit bedwongen wordenPs 32:9
De verzen
Ps 32:9Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake.
- Gerst en stro werden aangevoerd voor de wagenpaarden1 Kon 4:28
De verzen
1 Kon 4:28De gerst nu en het stro voor de paarden, en voor de snelle kemelen, brachten zij aan de plaats, waar hij was, een iegelijk naar zijn last.
- Wagenwielen en paarden gingen over het koren zonder het te vermalenJes 28:28
De verzen
Jes 28:28Het brood koren moet verbrijzeld worden, maar hij dorst het niet geduriglijk dorsende; noch hij breekt het met het wiel zijn wagens, noch hij verbrijzelt het met zijn paarden.
In de oorlog
- Farao’s paarden en wagens achtervolgden Israël tot aan de zeeEx 14:9, Ex 15:19
De verzen
Ex 14:9En de Egyptenaars jaagden hen na, en achterhaalden hen, daar zij zich gelegerd hadden aan de zee; al de paarden, de wagens van Farao en zijn ruiters, en zijn heir; nevens Pi-Hachiroth, voor Baal-Zefon.
Ex 15:19Want Farao's paard, met zijn wagen, met zijn ruiters, zijn in de zee gekomen, en de HEERE heeft de wateren der zee over hen doen wederkeren; maar de kinderen Israels zijn op het droge in het midden van de zee gegaan.
- Jozua verlamde de paarden van de vijand en verbrandde hun wagensJoz 11:6, Joz 11:9
De verzen
Joz 11:6En de HEERE zeide tot Jozua: Vrees niet voor hun aangezichten; want morgen omtrent dezen tijd zal Ik hen altegader verslagen geven voor het aangezicht van Israel; hun paarden zult gij verlammen, en hun wagenen met vuur verbranden.
Joz 11:9Jozua nu deed hun, gelijk hem de HEERE gezegd had; hun paarden verlamde hij, en hun wagenen verbrandde hij met vuur.
- David verlamde alle wagenpaarden op honderd na2 Sam 8:4
De verzen
2 Sam 8:4En David nam hem duizend wagens af, en zevenhonderd ruiteren, en twintig duizend man te voet; en David ontzenuwde alle wagenpaarden, en hield daarvan honderd wagenen over.
- Koning Josafat tot Achab: “Mijn paarden als uw paarden”1 Kon 22:4
De verzen
1 Kon 22:4Daarna zeide hij tot Josafat: Zult gij met mij trekken in den strijd naar Ramoth in Gilead? En Josafat zeide tot den koning van Israel: Zo zal ik zijn gelijk gij zijt, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden.
- De spot van de Assyriërs: tweeduizend paarden – als u er ruiters voor hebt2 Kon 18:23
De verzen
2 Kon 18:23Nu dan, wed toch met mijn heer, den koning van Assyrie; en ik zal u twee duizend paarden geven, zo gij voor u de ruiters daarop zult kunnen geven.
- Verkenners in Samaria namen twee wagens met paarden om de Syriërs te volgen2 Kon 7:13–14
De verzen
2 Kon 7:13–14Toen antwoordde een van zijn knechten, en zeide: Dat men toch neme vijf van de overige paarden, die hierbinnen overgebleven zijn (zie, zij zijn als de gehele menigte der Israelieten, die hierbinnen overgebleven zijn; zie, zij zijn als de gehele menigte der Israelieten, die vergaan zijn), laat ons die zenden, en zien. Zij namen dan twee wagenpaarden. En de koning zond het leger der Syriers achterna, zeggende: Gaat henen, en ziet.
- “Spant de paarden aan, en klimt op, gij ruiters! en stelt u met helmen”Jer 46:4
De verzen
Jer 46:4Spant de paarden aan, en klimt op, gij ruiters! en stelt u met helmen; veegt de spiesen, trekt de pantsiers aan!
- Het stampen van de hoeven van galopperende hengsten en het gedreun van wagensJer 47:3
De verzen
Jer 47:3Vanwege het geluid van het geklater der hoeven zijner sterke paarden, vanwege het geraas zijner wagenen, en het bulderen zijner raderen; de vaders zien niet om naar de kinderen, vanwege de slappigheid der handen;
Koningen en handel
- De wet: een koning mag niet veel paarden houdenDeut 17:16
De verzen
Deut 17:16Maar hij zal voor zich de paarden niet vermenigvuldigen, en het volk niet doen wederkeren naar Egypte, om paarden te vermenigvuldigen; terwijl de HEERE ulieden gezegd heeft: Gij zult voortaan niet wederkeren door dezen weg.
- Salomo’s stallen voor zijn wagenpaarden, en zijn ruiters1 Kon 4:26, 2 Kron 9:25
De verzen
1 Kon 4:26Salomo had ook veertig duizend paardenstallen tot zijn wagenen, en twaalf duizend ruiteren.
2 Kron 9:25Ook had Salomo vier duizend paardenstallen, en wagenen, en twaalf duizend ruiteren; en hij leide ze in de wagensteden, en bij den koning te Jeruzalem.
- Een paard uit Egypte kostte 150 sikkels zilver, een wagen 6001 Kon 10:28–29
De verzen
1 Kon 10:28–29En het uitbrengen der paarden was hetgeen Salomo uit Egypte had; en aangaande het linnen garen, de kooplieden des konings namen het linnen garen voor den prijs. En een wagen kwam op, en ging uit van Egypte, voor zeshonderd sikkelen zilvers, en een paard voor honderd en vijftig; en alzo voerden ze die uit door hun hand voor alle koningen der Hethieten, en voor de koningen van Syrie.
- Salomo’s paarden kwamen uit Egypte, uit Kue en andere landen1 Kon 10:28, 2 Kron 9:28
De verzen
1 Kon 10:28En het uitbrengen der paarden was hetgeen Salomo uit Egypte had; en aangaande het linnen garen, de kooplieden des konings namen het linnen garen voor den prijs.
2 Kron 9:28En zij brachten voor Salomo paarden uit Egypte, en uit al die landen.
- Togarma handelde met Tyrus in paarden, strijdrossen en muilezelsEzech 27:14
De verzen
Ezech 27:14Uit het huis van Togarma leverden zij paarden, en ruiteren, en muilezels op uw markten.
- Wie uit Babel terugkeerden, hadden 736 paarden en 245 muilezelsEzra 2:66
De verzen
Ezra 2:66Hun paarden waren zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd vijf en veertig;
- Sommigen in Juda trokken naar Egypte om op zijn paarden en wagens te vertrouwenJes 31:1
De verzen
Jes 31:1Wee dengenen, die in Egypte om hulp aftrekken, en steunen op paarden, en vertrouwen op wagenen, omdat er vele zijn, en op ruiters, omdat die zeer machtig zijn; en zien niet op den Heilige Israels, en zoeken den HEERE niet.
- Josia schafte de paarden af die de koningen van Juda aan de zon hadden gewijd2 Kon 23:11
De verzen
2 Kon 23:11En hij schafte de paarden af, die de koningen van Juda voor de zon gesteld hadden, van den ingang van het huis des HEEREN, tot de kamer van Nathan-Melech, den hoveling, die in Parvarim was; en de wagenen der zon verbrandde hij met vuur.
- Mordechai werd op het paard van de koning door de stad geleidEst 6:8–11
De verzen
Est 6:8–11Zal men het koninklijke kleed brengen, dat de koning pleegt aan te trekken, en het paard, waarop de koning pleegt te rijden; en dat de koninklijke kroon op zijn hoofd gezet worde. En men zal dat kleed en dat paard geven in de hand van een uit de vorsten des konings, van de grootste heren, en men zal het dien man aantrekken, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft; en men zal hem op dat paard doen rijden door de straten der stad, en men zal voor hem roepen: Alzo zal men dien man doen, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft! Toen zeide de koning tot Haman: Haast u, neem dat kleed, en dat paard, gelijk als gij gesproken hebt, en doe alzo aan Mordechai, den Jood, dien aan de poort des konings zit; en laat niet een woord vallen van alles, wat gij gesproken hebt. En Haman nam dat kleed en dat paard, en trok het kleed Mordechai aan, en deed hem rijden door de straten der stad, en hij riep voor hem: Alzo zal men dien man doen, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft!
- Elia werd van Elisa gescheiden door een vurige wagen met vurige paarden2 Kon 2:11
De verzen
2 Kon 2:11En het gebeurde, als zij voortgingen, gaande en sprekende, ziet, zo was er een vurige wagen met vurige paarden, die tussen hen beiden scheiding maakten. Alzo voer Elia met een onweder ten hemel.
Uitspraken
- “Zijn paarden zijn sneller dan arenden”Jer 4:13
De verzen
Jer 4:13Ziet, hij komt op als wolken, en zijn wagenen zijn als een wervelwind, zijn paarden zijn sneller dan arenden; wee ons, want wij zijn verwoest!
- “Zijn paarden zijn lichter dan de luipaarden, scherper dan de avondwolven”Hab 1:8
De verzen
Hab 1:8Want zijn paarden zijn lichter dan de luipaarden, en zij zijn scherper dan de avondwolven, en zijn ruiters verspreiden zich; ja, zijn ruiters zullen van verre komen, zij zullen vliegen als een arend, zich spoedende om te eten.
- “Het paard wordt bereid tegen den dag des strijds”Spr 21:31
De verzen
Spr 21:31Het paard wordt bereid tegen den dag des strijds; maar de overwinning is des HEEREN.
- Een psalm: zelfs de grote kracht van een paard kan niet reddenPs 33:17
De verzen
Ps 33:17Het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote sterkte.
- “Een zweep is voor het paard, een toom voor den ezel”Spr 26:3
De verzen
Spr 26:3Een zweep is voor het paard, een toom voor den ezel, en een roede voor den rug der zotten.
- “Zullen ook paarden rennen op een steenrots?”Amos 6:12
De verzen
Amos 6:12Zullen ook paarden rennen op een steenrots? Zal men ook daarop met runderen ploegen? Want gijlieden hebt het recht in gal verkeerd, en de vrucht der gerechtigheid in alsem.
- “Als gij loopt met de voetgangers … hoe zult gij u dan mengen met de paarden?”Jer 12:5
De verzen
Jer 12:5Als gij loopt met de voetgangers, zo maken zij u moede; hoe zult gij u dan mengen met de paarden? Zo gij alleenlijk vertrouwt in een land van vrede, hoe zult gij het dan maken in de verheffing van de Jordaan?
Bronnen
Naar Nave’s Topical Bible (Orville J. Nave, 1896; publiek domein): onderwerpen gekozen, regels ingekort en in hedendaagse taal gezet, zonder uitleg; elk vers gecontroleerd.
De Heilige Schrift 1917 · Publiek domein