Ontdekken › Oude kaarten › De plaatsen in de vijf boeken van Mozes
Open de kaart op volledige grootte (3000 × 2481)Library of Congress, afdeling Geografie en Kaarten · publiek domein
Oude kaarten · 1826
De plaatsen in de vijf boeken van Mozes Cartograaf: Tanner, Henry Schenck · Jaar: 1826
Uit de “Atlas van de oude geografie”, in 1826 in Philadelphia uitgegeven door Henry S. Tanner “om de geschriften van de oude schrijvers, zowel gewijde als wereldlijke, te verhelderen”. De hoofdkaart loopt van de Nijldelta en Gosen door de woestijn Sinai naar Kanaän en Syrië; een bijkaart toont “de oostelijke landen zoals Mozes ze noemt”, van de Ararat in Armenië tot Babel en Elam.
De kaart bij de Library of Congress
Oude kaarten van het Heilige Land, 1600–1881: Library of Congress, afdeling Geografie en Kaarten (publiek domein; nummers gevonden via Wikimedia Commons, beelden van de eigen server van de bibliotheek); de teksten zijn van ons
Gedeelten Gen 10:1–32 Dit nu zijn de geboorten van Noachs zonen: Sem, Cham, en Jafeth; en hun werden zonen geboren na den vloed. De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras. En de zonen van Gomer zijn: Askenaz, en Rifath, en Togarma. En de zonen van Javan zijn: Elisa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten. Van dezen zijn verdeeld de eilanden der volken in hun landschappen, elk naar zijn spraak, naar hun huisgezinnen, onder hun volken. En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraim, en Put, en Kanaan. En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha. En de zonen van Raema zijn: Scheba en Dedan. En Cusch gewon Nimrod; deze begon geweldig te zijn op de aarde. Hij was een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN; daarom wordt gezegd: Gelijk Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN. En het beginsel zijns rijks was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear. Uit ditzelve land is Assur uitgegaan, en heeft gebouwd Nineve, en Rehoboth, Ir, en Kalach. En Resen, tussen Nineve en tussen Kalach; deze is die grote stad. En Mitsraim gewon de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten, En de Pathrusieten, en de Casluchieten, van waar de Filistijnen uitgekomen zijn, en de Caftorieten. En Kanaan gewon Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth, En den Jebusiet, en den Amoriet, en den Girgasiet, En den Hivviet, en den Arkiet, en den Siniet, En den Arvadiet, en den Tsemariet, en den Hamathiet; en daarna zijn de huisgezinnen der Kanaanieten verspreid. En de landpale der Kanaanieten was van Sidon, daar gij gaat naar Gerar tot Gaza toe; daar gij gaat naar Sodom en Gomorra, en Adama, en Zoboim, tot Lasa toe. Deze zijn zonen van Cham, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun landschappen, in hun volken. Voorts zijn Sem zonen geboren; dezelve is ook de vader aller zonen van Heber, broeder van Jafeth, den grootste. Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram. En Arams zonen waren Uz, en Hul, en Gether, en Maz. En Arfachsad gewon Selah, en Selah gewon Heber. En Heber werden twee zonen geboren; des enen naam was Peleg; want in zijn dagen is de aarde verdeeld; en zijns broeders naam was Joktan. En Joktan gewon Almodad, en Selef, en Hatsarmaveth, en Jarach, En Hadoram, en Usal, en Dikla, En Obal, en Abimael, en Scheba, En Ofir, en Havila, en Jobab; deze allen waren zonen van Joktan. En hun woning was van Mescha af, daar gij gaat naar Sefar, het gebergte van het oosten. Deze zijn zonen van Sem, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun landschappen, naar hun volken. Deze zijn de huisgezinnen der zonen van Noach, naar hun geboorten, in hun volken; en van dezen zijn de volken op de aarde verdeeld na den vloed. Num 33:1–49 Dit zijn de reizen der kinderen Israels, die uit Egypteland uitgetogen zijn, naar hun heiren, door de hand van Mozes en Aaron. En Mozes schreef hun uittochten, naar hun reizen, naar den mond des HEEREN; en dit zijn hun reizen, naar hun uittochten. Zij reisden dan van Rameses; in de eerste maand, op den vijftienden dag der eerste maand, des anderen daags van het pascha, togen de kinderen Israels uit door een hoge hand, voor de ogen van alle Egyptenaren; Als de Egyptenaars begroeven degenen, welke de HEERE onder hen geslagen had, alle eerstgeborenen; ook had de HEERE gerichten geoefend aan hun goden. Als de kinderen Israels van Rameses verreisd waren, zo legerden zij zich te Sukkoth. En zij verreisden van Sukkoth, en legerden zich in Etham, hetwelk aan het einde der woestijn is. En zij verreisden van Etham, en keerden weder naar Pi-hachiroth, dat tegenover Baal-Sefon is, en zij legerden zich voor Migdol. En zij verreisden van Hachiroth, en gingen over, door het midden van de zee, naar de woestijn, en zij gingen drie dagreizen in de woestijn Etham, en legerden zich in Mara. En zij verreisden van Mara, en kwamen te Elim; in Elim nu waren twaalf waterfonteinen en zeventig palmbomen, en zij legerden zich aldaar. En zij verreisden van Elim, en legerden zich aan de Schelfzee. En zij verreisden van de Schelfzee, en legerden zich in de woestijn Sin. En zij verreisden uit de woestijn Sin, en zij legerden zich in Dofka. En zij verreisden van Dofka, en legerden zich in Aluz. En zij verreisden van Aluz, en legerden zich in Rafidim; doch daar was geen water voor het volk, om te drinken. En zij verreisden van Rafidim, en legerden zich in de woestijn van Sinai. En zij verreisden uit de woestijn van Sinai, en legerden zich in Kibroth-Thaava. En zij verreisden van Kibroth-Thaava, en legerden zich in Hazeroth. En zij verreisden van Hazeroth, en legerden zich in Rithma. En zij verreisden van Rithma, en legerden zich in Rimmon-Perez. En zij verreisden van Rimmon-Perez, en legerden zich in Libna. En zij verreisden van Libna, en legerden zich in Rissa. En zij verreisden van Rissa, en legerden zich in Kehelatha. En zij verreisden van Kehelatha, en legerden zich in het gebergte van Safer. En zij verreisden van het gebergte Safer, en legerden zich in Harada. En zij verreisden van Harada, en legerden zich in Makheloth. En zij verreisden van Makheloth, en legerden zich in Tachath. En zij verreisden van Tachath, en legerden zich in Tharah. En zij verreisden van Tharah, en legerden zich in Mithka. En zij verreisden van Mithka, en legerden zich in Hasmona. En zij verreisden van Hasmona, en legerden zich in Moseroth. En zij verreisden van Moseroth, en legerden zich in Bene-Jaakan. En zij verreisden van Bene-Jaakan, en legerden zich in Hor-Gidgad. En zij verreisden van Hor-gidgad, en legerden zich in Jotbatha. En zij verreisden van Jotbatha, en legerden zich in Abrona. En zij verreisden van Abrona, en legerden zich in Ezeon-Geber. En zij verreisden van Ezeon-Geber, en legerden zich in de woestijn Zin, dat is Kades. En zij verreisden van Kades, en legerden zich aan den berg Hor, aan het einde des lands van Edom. Toen ging de priester Aaron op den berg Hor, naar den mond des HEEREN, en stierf aldaar, in het veertigste jaar na den uittocht van de kinderen Israels uit Egypteland, in de vijfde maand, op den eersten der maand. Aaron nu was honderd drie en twintig jaren oud, als hij stierf op den berg Hor. En de Kanaaniet, de koning van Harad, die in het zuiden woonde in het land Kanaan, hoorde, dat de kinderen Israels aankwamen. En zij verreisden van den berg Hor, en legerden zich in Zalmona. En zij verreisden van Zalmona, en legerden zich in Funon. En zij verreisden van Funon, en legerden zich in Oboth. En zij verreisden van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abarim, in de landpale van Moab. En zij verreisden van de heuvelen van Abarim, en legerden zich in Dibon-Gad. En zij verreisden van Dibon-Gad, en legerden zich in Almon-Diblathaim. En zij verreisden van Almon-Diblathaim, en legerden zich in de bergen Abarim, tegen Nebo. En zij verreisden van de bergen Abarim, en legerden zich in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho. En zij legerden zich aan de Jordaan van Beth-Jesimoth, tot aan Abel-Sittim, in de vlakke velden der Moabieten.