Bible Explorer

Ontdekken › Stambomen › Van Abraham tot David

Stambomen

Van Abraham tot David

Izak, Jakob, Juda, Boaz en Ruth, Isai en zijn zonen

De lijn van Abraham tot koning David, zoals Mattheüs en het boek Ruth die geven, met de moeders die de tekst noemt. Elke persoon en elke verbinding komt uit het vers dat het zegt. Waar twee boeken anders tellen, zegt de toelichting dat.

  1. AbrahamOok genoemd: Abram · Leefde 175 jaar (Gen 25:7)

    Het geslachtsregister van Mattheüs begint met hem: “Abraham gewon Izak”. Hij heette Abram, tot God hem een nieuwe naam gaf. Ismael werd geboren toen hij zesentachtig was, Izak toen hij honderd was.

    Gen 11:26 · Gen 17:5 · Matt 1:2
    • Vrouw
      SaraOok genoemd: Sarai · Leefde 127 jaar (Gen 23:1)

      Zij heette Sarai, tot God haar de naam Sara gaf. Zij baarde Abraham Izak “in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, dien hem God gezegd had”.

      Gen 11:29 · Gen 17:15
    • Vrouw
      Hagar

      De Egyptische dienstmaagd van Sarai, die Sarai aan Abram gaf, “hem tot een vrouw”.

      Gen 16:1 · Gen 16:3
    1. IsmaelMoeder: Hagar · Leefde 137 jaar (Gen 25:17)

      De eerste zoon van Abraham. Zijn twaalf zonen worden in Genesis genoemd — “twaalf vorsten naar hun volken”.

      Gen 16:15
  2. IzakMoeder: Sara · Leefde 180 jaar (Gen 35:28)

    Door Sara gebaard toen zij al oud was. Hij was veertig toen hij met Rebekka trouwde, en zestig toen hun tweeling, Ezau en Jakob, geboren werd.

    Gen 21:3 · Matt 1:2
    • Vrouw
      Rebekka

      Een kleindochter van Nahor, de broer van Abraham; zij kwam uit Paddan-Aram om met Izak te trouwen en baarde hem een tweeling.

      Gen 22:23 · Gen 24:15
  3. JakobOok genoemd: Israel · Moeder: Rebekka · Leefde 147 jaar (Gen 47:28)

    De jongste van de tweeling, die de naam Israel kreeg. Hij had twaalf zonen en een dochter bij vier vrouwen; deze stamboom volgt Juda, de vierde zoon van Lea — “Jakob gewon Juda, en zijn broeders”.

    Gen 25:26 · Gen 32:28 · Matt 1:2
    • Vrouw
      Lea

      De oudste dochter van Laban en de eerste vrouw van Jakob. Toen Juda geboren werd, zei zij: “Ditmaal zal ik den HEERE loven”.

      Gen 29:16
  4. JudaMoeder: Lea

    De vierde zoon van Lea. Zijn eerste drie zonen werden hem gebaard door de dochter van een Kanaanietisch man die Sua heette; Mattheüs gaat verder: “Juda gewon Fares en Zara bij Thamar” — dat zijn Perez en Zera.

    Gen 29:35 · Gen 35:23 · Matt 1:3
    • Moeder van zijn zonen
      Thamar

      De weduwe van Er, de zoon van Juda. Zij baarde Juda een tweeling, en Mattheüs noemt haar in het geslachtsregister.

      Gen 38:6 · Gen 38:27 · Matt 1:3
    1. ZeraMoeder: Thamar

      De tweeling met de scharlaken draad om zijn hand.

      Gen 38:30 · Gen 46:12
  5. PerezMoeder: Thamar

    De tweeling die het eerst geboren werd: “Hoe zijt gij doorgebroken?” Het geslachtsregister aan het eind van Ruth begint met hem: “Dit nu zijn de geboorten van Perez”.

    Gen 38:29 · Gen 46:12 · Matt 1:3
  6. Hezron

    Een zoon van Perez, genoemd onder de familie van Jakob die naar Egypte trok. 1 Kronieken noemt zijn zonen Jerahmeel, Ram en Chelubai; de stamboom volgt Ram.

    Gen 46:12 · Ruth 4:18 · Matt 1:3
  7. Ram

    Ruth en 1 Kronieken hebben Ram tussen Hezron en Amminadab; Mattheüs en Lukas schrijven daar Aram. Sommige handschriften van Lukas noemen daar in plaats van hem twee mannen, Admin en Arni.

    Ruth 4:19 · 1 Kron 2:9 · Matt 1:3
  8. Amminadab

    Zijn dochter Eliseba, de zuster van Nahesson, trouwde met Aaron.

    Ruth 4:19 · Matt 1:4
  9. Nahesson

    1 Kronieken noemt hem “den vorst der kinderen van Juda”; in Numeri voert hij in de woestijn de legers van Juda aan.

    Num 1:7 · Ruth 4:20
  10. SalmaOok genoemd: Salmon

    Ruth noemt hem eerst Salma en daarna Salmon, zoals ook Mattheüs en Lukas hem noemen. Alleen Mattheüs noemt de moeder van zijn zoon Boaz: Rachab.

    Ruth 4:20–21 · Matt 1:4–5
    • Moeder van zijn zonen
      Rachab

      Alleen door Mattheüs genoemd, als de moeder van Boaz. Volgens de ene opvatting is zij Rachab van Jericho, die de verspieders van Jozua verborg; volgens een andere een andere vrouw met dezelfde naam. Mattheüs zegt het niet.

      Matt 1:5
  11. BoazMoeder: Rachab

    Een man uit Bethlehem, van het geslacht van Elimelech, de man van Naomi. In de poort van de stad nam hij alles over wat van Elimelech geweest was, en hij nam Ruth tot vrouw.

    Ruth 2:1 · Ruth 4:21 · Matt 1:5
    • Vrouw
      Ruth

      Een Moabietische vrouw, de weduwe van Machlon, die met haar schoonmoeder Naomi naar Bethlehem kwam. Mattheüs, die Boaz Booz schrijft, noemt haar: “Booz gewon Obed bij Ruth”.

      Ruth 1:4 · Ruth 4:13 · Matt 1:5
  12. ObedMoeder: Ruth

    De buurvrouwen gaven hem zijn naam en zeiden: “Aan Naomi is een zoon geboren”. “Deze is de vader van Isai, Davids vader.”

    Ruth 4:17 · Ruth 4:21
  13. Isai

    Uit Bethlehem. 1 Samuël zegt dat hij “acht zonen had” en dat David de jongste was; 1 Kronieken noemt er zeven, met “David, den zevende”, en hun zusters Zeruja en Abigail.

    Ruth 4:22 · 1 Sam 16:1 · 1 Kron 2:13
    1. Eliab

      De eerstgeborene van Isai. Toen Samuel hem zag, dacht hij: “Zekerlijk, is deze voor den HEERE, Zijn gezalfde.”

      1 Sam 16:6 · 1 Kron 2:13
    2. Abinadab

      De tweede zoon. Met Eliab en de derde zoon volgde hij Saul in de krijg.

      1 Sam 16:8 · 1 Kron 2:13
    3. SimeaOok genoemd: Samma, Simea

      De derde zoon; 1 Samuël noemt hem Samma, 2 Samuël, net als 1 Kronieken, Simea. Zijn zoon Jonadab was een vriend van Amnon, de zoon van David.

      1 Kron 2:13
    4. Nethaneel1 Kron 2:14
  14. David

    De jongste zoon van Isai, door Samuel gezalfd. Hij werd koning op zijn dertigste en regeerde veertig jaar: zeven en een half jaar in Hebron en drieëndertig in Jeruzalem.

    Ruth 4:17 · Ruth 4:22 · 1 Sam 16:13 · Matt 1:6
    • Vrouw
      Michal

      De dochter van Saul, aan David tot vrouw gegeven. “Michal nu, Sauls dochter, had geen kind, tot den dag van haar dood toe.”

      1 Sam 18:27 · 2 Sam 6:23
    • Vrouw
      Abigail

      De weduwe van Nabal uit Karmel, die de vrouw van David werd. Haar zoon heet in 2 Samuël Chileab en in 1 Kronieken Daniel.

      1 Sam 25:3 · 1 Sam 25:42
    • Vrouw
      Ahinoam

      Ahinoam van Jizreel, de moeder van de eerstgeboren zoon van David.

      1 Sam 25:43 · 2 Sam 3:2
    • Vrouw
    • Vrouw
      Bathseba

      Vroeger de vrouw van Uria, den Hethiet; Mattheüs noemt haar “degene, die Uria’s vrouw was geweest”. Haar eerste zoon van David stierf; 1 Kronieken noemt vier zonen die zij baarde: Simea, Sobab, Nathan en Salomo.

      2 Sam 11:3 · 2 Sam 12:24 · 1 Kron 3:5
    • Moeder van zijn zonen
      Maacha

      De dochter van Thalmai, koning van Gesur.

      2 Sam 3:3 · 1 Kron 3:2
    • Moeder van zijn zonen
    • Moeder van zijn zonen
    1. ChileabOok genoemd: Daniel · Moeder: Abigail2 Sam 3:3
    2. AbsalomMoeder: Maacha2 Sam 3:3 · 1 Kron 3:2
    3. AdoniaMoeder: Haggith2 Sam 3:4 · 1 Kron 3:2
    4. SefatjaMoeder: Abital2 Sam 3:4 · 1 Kron 3:3
    5. JithreamMoeder: Egla2 Sam 3:5 · 1 Kron 3:3
    6. NathanMoeder: Bathseba

      Een zoon van David en Bathseba, geboren in Jeruzalem — niet de profeet Nathan. Het geslachtsregister van Jezus bij Lukas loopt via hem.

      2 Sam 5:14 · 1 Kron 3:5 · Luc 3:31
    7. SalomoOok genoemd: Jedid-Jah · Moeder: Bathseba

      Geboren uit David en Bathseba nadat hun eerste zoon gestorven was; de HEERE zond bericht door de profeet Nathan om hem Jedid-Jah te noemen. Hij volgde zijn vader op als koning.

      2 Sam 12:24 · 1 Kron 3:5 · Matt 1:6

Stambomen

Personen en verbanden: Theographic Bible Metadata (CC BY-SA 4.0), elk gecontroleerd aan de bijbeltekst. Geen jaartallen: alleen levensjaren die de tekst zelf noemt.

Theographic Bible Metadata · CC BY-SA 4.0 · De Heilige Schrift 1917 · Publiek domein