Bible Explorer

Bijbel › Psalmen › 6

HS1917 · Hoofdstuk 6 / 150

Psalmen 6

1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth, op de Scheminith. O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid!

2Wees mij genadig, HEERE, want ik ben verzwakt; genees mij, HEERE, want mijn beenderen zijn verschrikt.

3Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en Gij, HEERE, hoe lange?

4Keer weder, HEERE, red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil.

5Want in den dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?

6Ik ben moede van mijn zuchten; ik doe mijn bed den gansen nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijn tranen.

7Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenpartijders.

8Wijkt van mij, al gij werkers der ongerechtigheid; want de HEERE heeft de stem mijns geweens gehoord.

9De HEERE heeft mijn smeking gehoord; de HEERE zal mijn gebed aannemen.

10Al mijn vijanden zullen zeer beschaamd en verbaasd worden; zij zullen terugkeren, zij zullen in een ogenblik beschaamd worden.

De Heilige Schrift 1917 (HS1917, 1917) · Publiek domein · eBible.org