Bible Explorer

Bijbel › Psalmen › 75

HS1917 · Hoofdstuk 75 / 150

Psalmen 75

1Voor den opperzangmeester, Al-tascheth; een psalm, een lied, voor Asaf. Wij loven U, o God! wij loven, dat Uw Naam nabij is; men vertelt Uw wonderen.

2Als ik het bestemde ambt zal ontvangen hebben, zo zal ik gans recht richten.

3Het land en al zijn inwoners waren versmolten; maar ik heb zijn pilaren vastgemaakt. Sela.

4Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig; en tot de goddelozen: Verhoogt den hoorn niet.

5Verhoogt uw hoorn niet omhoog; spreekt niet met stijven hals.

6Want het verhogen komt niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn;

7Maar God is Rechter; Hij vernedert dezen, en verhoogt genen.

8Want in des HEEREN hand is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit; doch alle goddelozen der aarde zullen zijn droesemen uitzuigende drinken.

9En ik zal het in eeuwigheid verkondigen; ik zal den God Jakobs psalmzingen.

10En ik zal alle hoornen der goddelozen afhouwen; de hoornen des rechtvaardigen zullen verhoogd worden.

De Heilige Schrift 1917 (HS1917, 1917) · Publiek domein · eBible.org