Bible Explorer

Bijbel › Psalmen › 12

HS1917 · Hoofdstuk 12 / 150

Psalmen 12

1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Scheminith. Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.

2Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart.

3De HEERE snijde af alle vleiende lippen, de grootsprekende tong;

4Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! Wie is heer over ons?

5Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen, zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE; Ik zal in behoudenis zetten, dien hij aanblaast.

6De redenen des HEEREN zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.

7Gij, HEERE, zult hen bewaren; Gij zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid.

8De goddelozen draven rondom, wanneer de snoodsten van des mensenkinderen verhoogd worden.

De Heilige Schrift 1917 (HS1917, 1917) · Publiek domein · eBible.org