Ontdekken › Oude kaarten › Palestina in het Oude Testament
Open de kaart op volledige grootte (2239 × 3000)Library of Congress, afdeling Geografie en Kaarten · publiek domein
Oude kaarten · 1881
Palestina in het Oude Testament Cartograaf: H.H. Hardesty (Firm) · Jaar: 1881
Uit de “Historische handatlas”, in 1881 in Chicago en Toledo uitgegeven door H. H. Hardesty, met een genummerde reeks bijbelkaarten. Kaart nr. 3 nummert de twaalf stamgebieden en geeft de vrijsteden, de levieten- en priestersteden en de veldslagen aan, met Schriftverwijzingen naast veel plaatsen.
De kaart bij de Library of Congress
Oude kaarten van het Heilige Land, 1600–1881: Library of Congress, afdeling Geografie en Kaarten (publiek domein; nummers gevonden via Wikimedia Commons, beelden van de eigen server van de bibliotheek); de teksten zijn van ons
Gedeelten Joz 20:1–9 Verder sprak de HEERE tot Jozua, zeggende: Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Geeft voor ulieden de vrijsteden, waarvan Ik met ulieden gesproken heb door den dienst van Mozes. Dat daarhenen vliede de doodslager, die een ziel door dwaling, niet met wetenschap, verslaat; opdat zij ulieden zijn tot een toevlucht voor den bloedwreker. Als hij vlucht tot een van die steden, zo zal hij staan aan de deur der stadspoort, en hij zal zijn woorden spreken voor de oren van de oudsten derzelver stad; dan zullen zij hem tot zich in de stad nemen, en hem plaats geven, dat hij bij hen wone. En als de bloedwreker hem najaagt, zo zullen zij den doodslager in zijn hand niet overgeven, dewijl hij zijn naaste niet met wetenschap verslagen heeft, en hem gisteren en eergisteren niet heeft gehaat. En hij zal in dezelve stad wonen, totdat hij sta voor het aangezicht der vergadering voor het gericht, totdat de hogepriester sterve, die in die dagen zijn zal; dan zal de doodslager wederkeren, en komen tot zijn stad, en tot zijn huis, tot de stad, van waar hij gevloden is. Toen heiligden zij Kedes in Galilea, op het gebergte van Nafthali, en Sichem op het gebergte van Efraim, en Kirjath-Arba, deze is Hebron, op het gebergte van Juda. En aan gene zijde van de Jordaan, van Jericho oostwaarts, gaven zij Bezer in de woestijn, in het platte land, van den stam van Ruben; en Ramoth in Gilead, van den stam van Gad; en Golan in Bazan, van den stam van Manasse. Dit nu zijn de steden, die bestemd waren voor al de kinderen Israels, en voor den vreemdeling, die in het midden van henlieden verkeert, opdat derwaarts vluchte al wie een ziel slaat door dwaling; opdat hij niet sterve door de hand des bloedwrekers, totdat hij voor het aangezicht der vergadering gestaan zal hebben. Joz 21:1–42 Toen naderden de hoofden der vaderen van de Levieten tot Eleazar, den priester, en tot Jozua, den zoon van Nun, en tot de hoofden der vaderen van de stammen der kinderen Israels; En zij spraken tot hen, te Silo, in het land Kanaan, zeggende: De HEERE heeft geboden door den dienst van Mozes, dat men ons steden te bewonen geven zou, en haar voorsteden voor onze beesten. Daarom gaven de kinderen Israels aan de Levieten van hun erfdeel, naar den mond des HEEREN, deze steden en de voorsteden derzelve. Toen ging het lot uit voor de huisgezinnen der Kahathieten; en voor de kinderen van Aaron, den priester, uit de Levieten, waren van den stam van Juda, en van den stam van Simeon, en van den stam van Benjamin, door het lot, dertien steden. En aan de overgebleven kinderen van Kahath vielen, bij het lot, van de huisgezinnen van den stam van Efraim, en van den stam van Dan, en van den halven stam van Manasse, tien steden. En aan de kinderen van Gerson, van de huisgezinnen van den stam van Issaschar, en van den stam van Aser, en van den stam van Nafthali, en van den halven stam van Manasse, in Bazan, bij het lot, dertien steden. Aan de kinderen van Merari, naar hun huisgezinnen, van den stam van Ruben, en van den stam van Gad, en van den stam van Zebulon, twaalf steden. Alzo gaven de kinderen Israels aan de Levieten deze steden en haar voorsteden, bij het lot, gelijk de HEERE geboden had door den dienst van Mozes. Verder gaven zij van den stam der kinderen van Juda, en van den stam der kinderen van Simeon, deze steden, die men bij name noemde; Dat zij waren van de kinderen van Aaron, van de huisgezinnen der Kahathieten, uit de kinderen van Levi; want het eerste lot was het hunne. Zo gaven zij hun de stad van Arba, den vader van Anok (zij is Hebron), op den berg van Juda, en haar voorsteden rondom haar. Maar het veld der stad en haar dorpen, gaven zij aan Kaleb, den zoon van Jefunne, tot zijn bezitting. Alzo gaven zij aan de kinderen van den priester Aaron de vrijstad des doodslagers, Hebron en haar voorsteden, en Libna en haar voorsteden; En Jatthir en haar voorsteden, en Esthemoa en haar voorsteden; En Holon en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden; En Ain en haar voorsteden, en Jutta en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden; negen steden van deze twee stammen. En van den stam van Benjamin, Gibeon en haar voorsteden, Geba en haar voorsteden; Anathoth en haar voorsteden, en Almon en haar voorsteden: vier steden. Al de steden der kinderen van Aaron, de priesteren, waren dertien steden en haar voorsteden. De huisgezinnen nu der kinderen van Kahath, de Levieten, die overgebleven waren van de kinderen van Kahath, die hadden de steden huns lots van den stam van Efraim. En zij gaven hun Sichem, een vrijstad des doodslagers, en haar voorsteden, op den berg Efraim, en Gezer en haar voorsteden; En Kibzaim en haar voorsteden, en Beth-horon en haar voorsteden: vier steden. En van den stam van Dan, Elteke en haar voorsteden, Gibbethon en haar voorsteden; Ajalon en haar voorsteden, Gath-Rimmon en haar voorsteden: vier steden. En van den halven stam van Manasse, Thaanach en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden: twee steden. Al de steden voor de huisgezinnen van de overige kinderen van Kahath zijn tien, met haar voorsteden. En aan de kinderen van Gerson, van de huisgezinnen der Levieten, van den halven stam van Manasse, de vrijstad des doodslagers, Golan in Bazan, en haar voorsteden, en Beesthera en haar voorsteden: twee steden. En van den stam van Issaschar, Kisjon en haar voorsteden, en Dobrath en haar voorsteden; Jarmuth en haar voorsteden, En-gannim en haar voorsteden: vier steden. En van den stam van Aser, Misal en haar voorsteden, Abdon en haar voorsteden; En Helkath en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden: vier steden. En van den stam van Nafthali, de vrijstad des doodslagers, Kedes in Galilea, en haar voorsteden, en Hammoth-Dor en haar voorsteden, en Karthan en haar voorsteden: drie steden. Al de steden der Gersonieten, naar hun huisgezinnen, zijn dertien steden en haar voorsteden. Aan de huisgezinnen nu van de kinderen van Merari, van de overige Levieten, werd gegeven van den stam van Zebulon, Jokneam en haar voorsteden, Kartha en haar voorsteden; Dimna en haar voorsteden, Nahalal en haar voorsteden: vier steden. En van den stam van Ruben, Bezer en haar voorsteden, en Jahza en haar voorsteden; Kedemoth en haar voorsteden, en Mefaath en haar voorsteden: vier steden. Van den stam van Gad nu, de vrijstad des doodslagers, Ramoth in Gilead, en haar voorsteden, en Mahanaim en haar voorsteden; Hesbon en haar voorsteden, Jaezer en haar voorsteden: al die steden zijn vier. Al die steden waren van de kinderen van Merari, naar hun huisgezinnen, die nog overig waren van de huisgezinnen der Levieten; en hun lot was twaalf steden. Al de steden der Levieten, in het midden van de erfenis der kinderen Israels, waren acht en veertig steden en haar voorsteden. Deze steden waren elk met haar voorsteden rondom haar; alzo was het met al die steden.