Bible Explorer

Ontdekken › Koningen en Kronieken naast elkaar › Saul en David

Koningen en Kronieken naast elkaar · Saul en David

Davids lied van bevrijding

2 Sam 22:1–51 · Ps 18:1–50

2 Samuël

2 Sam 22:1–51

1En David sprak de woorden dezes lieds tot den HEERE, ten dage als de HEERE hem verlost had uit de hand van al zijn vijanden, en uit de hand van Saul.

2Hij zeide dan: De HEERE is mij mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper.

3God is mijn Rots, ik zal op Hem betrouwen; mijn Schild en de Hoorn mijns heils, mijn Hoog Vertrek en mijn Toevlucht, mijn Verlosser! Van geweld hebt Gij mij verlost!

4Ik riep den HEERE aan, Die te prijzen is, en ik werd verlost van mijn vijanden.

5Want baren des doods hadden mij omvangen; beken Belials verschrikten mij.

6Banden der hel omringden mij; strikken des doods bejegenden mij.

7Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God; en Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep kwam in Zijn oren.

8Toen daverde en beefde de aarde; de fondamenten des hemels beroerden zich, en daverden, omdat Hij ontstoken was.

9Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.

10En Hij boog den hemel, en daalde neder; en donkerheid was onder Zijn voeten.

11En Hij voer op een cherub, en vloog, en werd gezien op de vleugelen des winds.

12En Hij zette duisternis rondom Zich tot tenten, een samenbinding der wateren, wolken des hemels.

13Van den glans voor Hem henen werden kolen des vuurs aangestoken.

14De HEERE donderde van den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem.

15En Hij zond pijlen uit en verstrooide ze; bliksemen en verschrikte ze.

16En de diepe kolken der zee werden gezien, de gronden der wereld werden ontdekt, door het schelden des HEEREN, van het geblaas des winds van Zijn neus.

17Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.

18Hij verloste mij van mijn sterken vijand, van mijn haters, omdat zij machtiger waren dan ik.

19Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals; maar de HEERE was mij een Steunsel.

20En Hij voerde mij uit in de ruimte, en rukte mij uit, want Hij had lust aan mij.

21De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid; Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.

22Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.

23Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen, daarvan week ik niet af.

24Maar ik was oprecht voor Hem; en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.

25Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar mijn reinigheid, voor Zijn ogen.

26Bij den goedertierene houdt Gij U goedertieren; bij den oprechten held houdt Gij U oprecht.

27Bij den reine houdt Gij U rein; maar bij den verkeerde houdt Gij U verdraaid.

28En Gij verlost het bedrukte volk; maar Uw ogen zijn tegen de hogen, Gij zult hen vernederen.

29Want Gij zijt mijn Lamp, o HEERE, en de HEERE doet mijn duisternis opklaren.

30Want met U loop ik door een bende; met mijn God spring ik over een muur.

31Gods weg is volmaakt; de rede des HEEREN is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen.

32Want wie is God, behalve de HEERE, en wie is een rotssteen, behalve onze God?

33God is mijn Sterkte en Kracht; en Hij heeft mijn weg volkomen geopend.

34Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en stelt mij op mijn hoogten.

35Hij leert mijn handen ten strijde, zodat een stalen boog met mijn armen verbroken is.

36Ook hebt Gij mij gegeven het schild Uws heils, en door Uw verootmoedigen hebt Gij mij groot gemaakt.

37Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij; en mijn enkelen hebben niet gewankeld.

38Ik vervolgde mijn vijanden, en verdelgde hen, en keerde niet weder, totdat ik ze verdaan had.

39En ik verteerde hen, en doorstak ze, dat zij niet weder opstonden; maar zij vielen onder mijn voeten.

40Want Gij omgorddet mij met kracht ten strijde; Gij deedt onder mij nederbukken, die tegen mij opstonden.

41En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, mijner haters, en ik vernielde hen.

42Zij zagen uit, maar er was geen verlosser; naar den HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.

43Toen vergruisde ik hen als stof der aarde; ik stampte ze, ik breidde hen uit als slijk der straten.

44Ook hebt Gij mij uitgeholpen van de twisten mijns volks, Gij hebt mij bewaard tot een hoofd der heidenen; het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend.

45Vreemden hebben zich mij geveinsdelijk onderworpen; zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd.

46Vreemden zijn vervallen, en hebben zich aangegord uit hun sloten.

47De HEERE leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen; en verhoogd zij God, de Rotssteen mijns heils!

48De God, Die mij volkomene wraak geeft, en de volken onder mij nederwerpt;

49En Die mij uitvoert van mijn vijanden; en Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man alles gewelds.

50Daarom zal ik U, o HEERE, loven onder de heidenen, en Uw Naam zal ik psalmzingen.

51Hij is een Toren der verlossingen Zijns konings, en Hij doet goedertierenheid aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad, tot in eeuwigheid.

Psalmen

Ps 18:1–50

1Voor den opperzangmeester, een psalm van David, den knecht des HEEREN, die de woorden dezes lieds tot den HEERE gesproken heeft, ten dage, als hem de HEERE gered had uit de hand van al zijn vijanden, en uit de hand van Saul. Hij zeide dan: Ik zal U hartelijk liefhebben, HEERE, mijn Sterkte!

2De HEERE is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Welken ik betrouw; mijn Schild, en de Hoorn mijns heils, mijn Hoog Vertrek.

3Ik riep den HEERE aan, die te prijzen is, en werd verlost van mijn vijanden.

4Banden des doods hadden mij omvangen, en beken Belials verschrikten mij.

5Banden der hel omringden mij, strikken des doods bejegenden mij.

6Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God; Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.

7Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.

8Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.

9En Hij boog den hemel, en daalde neder, en donkerheid was onder Zijn voeten.

10En Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij vloog snellijk op de vleugelen des winds.

11Duisternis zette Hij tot Zijn verberging; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid der wateren, wolken des hemels.

12Van den glans, die voor Hem was, dreven Zijn wolken daarhenen, hagel en vurige kolen.

13En de HEERE donderde in den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem, hagel en vurige kolen.

14En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide ze; en Hij vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte ze.

15En de diepe kolken der wateren werden gezien, en de gronden der wereld werden ontdekt, van Uw schelden, o HEERE! van het geblaas des winds van Uw neus.

16Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.

17Hij verloste mij van mijn sterken vijand, en van mijn haters, omdat zij machtiger waren dan ik.

18Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals; maar de HEERE was mij tot een Steunsel.

19En Hij voerde mij uit in de ruimte, Hij rukte mij uit, want Hij had lust aan mij.

20De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.

21Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.

22Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen deed ik niet van mij weg.

23Maar ik was oprecht bij Hem, en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.

24Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar de reinigheid mijner handen, voor Zijn ogen.

25Bij den goedertierene houdt Gij U goedertieren, bij den oprechten man houdt Gij U oprecht.

26Bij den reine houdt Gij U rein, maar bij den verkeerde bewijst Gij U een Worstelaar.

27Want Gij verlost het bedrukte volk, maar de hoge ogen vernedert Gij.

28Want Gij doet mijn lamp lichten; de HEERE, mijn God, doet mijn duisternis opklaren.

29Want met U loop ik door een bende, en met mijn God spring ik over een muur.

30Gods weg is volmaakt; de rede des HEEREN is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen.

31Want wie is God, behalve de HEERE? En wie is een Rotssteen, dan alleen onze God?

32Het is God, die mij met kracht omgordt; en Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.

33Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en Hij stelt mij op mijn hoogten.

34Hij leert mijn handen ten strijde, zodat een stalen boog met mijn armen verbroken is.

35Ook hebt Gij mij het schild Uws heils gegeven, en Uw rechterhand heeft mij ondersteund, en Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.

36Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij, en mijn enkelen hebben niet gewankeld.

37Ik vervolgde mijn vijanden, en trof hen aan; en ik keerde niet weder, totdat ik hen verdaan had.

38Ik doorstak hen, dat zij niet weder konden opstaan; zij vielen onder mijn voeten.

39Want Gij omgorddet mij met kracht ten strijde; Gij deedt onder mij nederbukken, die tegen mij opstonden.

40En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, en mijn haters, die vernielde ik.

41Zij riepen, maar er was geen verlosser; tot den HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.

42Toen vergruisde ik hen als stof voor den wind; ik ruimde hen weg als slijk der straten.

43Gij hebt mij uitgeholpen van de twisten des volks; Gij hebt mij gesteld tot een hoofd der heidenen; het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend.

44Zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd; vreemden hebben zich mij geveinsdelijk onderworpen.

45Vreemden zijn vervallen, en hebben gesidderd uit hun sloten.

46De HEERE leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen, en verhoogd zij de God mijns heils!

47De God, Die mij volkomen wraak geeft, en de volken onder mij brengt;

48Die mij uithelpt van mijn vijanden; ja, Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man des gewelds.

49Daarom zal ik U, o HEERE! loven onder de heidenen; en Uw Naam zal ik psalmzingen;

50Die de verlossingen Zijns konings groot maakt, en goedertierenheid doet aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad tot in eeuwigheid.

Gemarkeerd: de woorden die elk verslag heeft, in de vertaling die u leest. De meest voorkomende woorden (‘en’, ‘hij’) niet; een woord in een andere vorm soms ook niet.

De Heilige Schrift 1917 · Parallellen met de hand uit de tekst gekozen en vergeleken met de kruisverwijzingen van OpenBible.info (CC BY). Alleen dezelfde gebeurtenis of uitspraak staat naast elkaar. OpenBible.info · CC BY